Rotterdam vecht

HET IMAGO VAN Rotterdam als 'werkstad' heeft lange tijd zijn uitstraling op het bestuur van die stad gehad. Er werd krachtig vanaf de Coolsingel geregeerd, waarbij enig regentendom de bestuurders niet vreemd was. Natuurlijk, de tijdgeest ging ook Rotterdam niet geheel voorbij, maar het bleef toch altijd bij 'gekkigheid-met-mate'. Er moest immers toch vooral gewerkt worden. Met de komst van de Nieuw Linkser Van der Louw als opvolger van burgemeester Thomassen leek halverwege de jaren zeventig de verbeelding aan de macht te komen. Maar toen Van der Louw zeven jaar later in verband met een ministerschap voortijdig naar Den Haag vertrok, waren bewoners en bedrijfsleven eensgezind in hun teleurstelling.

Veel politieke stormen zijn Rotterdam bespaard gebleven. Terwijl het bestuur in diverse grote steden in een crisis terecht kwam, bouwde Rotterdam letterlijk door. Of dit nu kwam door de comfortabele meerderheid die één partij, de PvdA, tot 1990 in de stad bezat, of door de mentaliteit van de bestuurders, feit was dat het politieke machtsspel - bron voor zoveel onrust elders - aan Rotterdam niet bleek te zijn besteed.

AAN DIE UITZONDERINGSPOSITIE van de stad is nu een eind gekomen. Het Rotterdamse gemeentebestuur verkeert in een zeer diepe crisis. En het is maar zeer de vraag of deze met enkele herschikkingen van wethouderszetels zal zijn opgelost. Dat zou suggereren dat het Rotterdamse college van B en W slechts een intern probleem had met de verwikkelingen rond de stadsprovincie. Maar het eigenlijke probleem zit veel dieper: in Rotterdam is sinds 1994 geen sprake meer van collegiaal bestuur maar van een vechtcollege.

Een politiek breed samengesteld college van wethouders steunend op vijf partijen leek twee jaar geleden het juiste antwoord op de versplintering die zich zowel ter linker- als ter rechterzijde had voorgedaan. Bij de raadsverkiezingen van maart 1994 behaalde Rotterdam met bijna vijftien procent van de stemmen voor Centrumpartij en de Centrum Democraten de twijfelachtige eer 'hoofdstad van extreem rechts' in Nederland te worden. Ook aan de andere kant van het politieke spectrum rukten de protestpartijen op. Het gevolg was dat in de Rotterdamse gemeenteraad niet minder dan elf partijen vertegenwoordigd waren.

Het is de 'gevestigde' partijen niet gelukt met een daadkrachtig en helder bestuur de onvrede te pareren die bij de verkiezingen tot uiting kwam. De grootste moeilijkheid voor het college is de verziekte verhouding tussen burgemeester Peper en de wethouders Kombrink en Simons. Partijgenoten van elkaar, allen zijn lid van de PvdA, maar daarmee houdt de gemeenschappelijkheid dan ook wel op. De rel rond de aankoop van een burgemeesterswoning, de sluiting van Perron nul, de toekomst van Rotterdam in een stadsprovincie; telkens is er weer de onderliggende onmin tussen Peper en de beide wethouders. Tekenend voor de situatie is dat wethouder Simons vorig jaar bij minister-president Kok heeft aangedrongen op het ontslag van Peper. Hoewel Simons dit nooit rechtstreeks aan Peper heeft gemeld, weet de burgemeester van het verzoek aan Kok. Dat maakt de vergaderingen van het college van B en W in Rotterdam wel heel bijzonder.

ER ZIJN IN het Rotterdamse college twee machtscentra ontstaan. Beide partijen opereren, ook binnen het ambtelijke apparaat, met wisselende meerderheden. Het netto-resultaat is een krachteloos bestuur waarin achterdocht de boventoon voert.

De oude college-partijen zijn druk doende met het vervullen van de vacature die is ontstaan door het vertrek van havenwethouder Smit die opstapte na het stranden van de stadsprovincie. De manier waarop hij na deze principiële daad is bejegend door de PvdA-wethouders bewijst eens te meer dat het politiek straatvechten in Rotterdam de overhand heeft gekregen.

Het bestuur van Rotterdam is ernstig ziek. Genezing is dringend gewenst. Dat kan alleen door het college van B en W zelf gebeuren. Getuige de aard van de ziekte is dat een vrijwel onmogelijke opgave.