Ramer slaat!

Het helpt beslist als je tijdens het spelen weet hoe de kleuren verdeeld zitten bij de tegenpartij. Stel, je hebt HB109 tegenover A32 en je wilt op de vrouw snijden. Volgens de kansberekening is het om het even wie die kaart heeft. In de praktijk echter is de kans dat je de vrouw 'vindt' vaak belangrijk groter dan 50 procent. De geoefende speler zal bijna altijd extra aanwijzingen kunnen putten uit biedverloop en tegenspel. Zo kan je al gauw een van de tegenstanders uittellen als die in zijn onschuld geopend heeft. Hij moet voor zijn opening punten hebben, dus moet de ontbrekende vrouw bij hem zitten. Ook kan halverwege het spel de verdeling van de twee tegenstanders bekend zijn. Je bent er bijvoorbeeld achter gekomen dat in de bewuste kleur west vier kaarten heeft en oost twee. De kans dat de vrouw bij west zit is nu ineens twee keer zo groot geworden. Een variatie op dit thema is het vraagstuk van de beperkte keuze ('restricted choice'). Daarbij komt het in het kort op neer dat je met negen kaarten samen (bijvoorbeeld AH76 tegenover 109832) moet beginnen met het slaan van de aas. Valt de boer of de vrouw àchter de hand met AH76 dan moet je oversteken en vervolgens op de andere honneur snijden. De kans dat die dan vòòr de AH76 zit is immers twee keer zo groot ten opzichte van een 2-2 zitsel. Allemaal geijkte theorie. Nu de praktijk. Zondag 25 februari 1996, Meesterklasse paren. Ramer-Van den Brom zijn in de strijd om de eerste plaats verwikkeld met Jansma-Van Cleeff, de titelverdedigers van 1995. Roald Ramer moet 3SA afspelen:

West gever Noord NZ kw. Schoppen AB54 Harten A64 Ruiten 32 Klaver 9754 West Oost Schoppen V76 Schoppen 1093 Harten 10953 Harten VB2 Ruiten B876 Ruiten V10954 Klaver VB Klaver 32 Zuid Schoppen H82 Harten H87 Ruiten AH Klaver AH1086 Na 2SA-3SA krijgt Ramer, die zuid zit, de start van Harten3 (vierde van boven). Hij neemt met HartenH, slaat KlaverA en ziet achter hem de boer vallen. Volgens het principe van de restricted choice moet hij hierna snijden op KlaverV. Maar wat doet Ramer? Hij speelt eerst SchoppenH en vervolgens schoppen naar de boer. Nu komt klaver van tafel en Ramer ziet rechts van hem een kleintje verschijnen. Snijden of slaan? Ramer slaat! En terecht zoals u ziet. De leider haalt hierna dertien slagen voor een score van 80 procent, terwijl het gros van de leiders wel de tweede keer in klaveren snijdt. Al deze kenners van de theorie scoren slechts 40 procent. Wat deed Ramer besluiten af te zien van de theoretische speelwijze? Hij had de verdeling van west uitgeteld. De start leerde Ramer dat west een vierkaart harten had en de manier van bijgooien in schoppen door de tegenpartij deed hem concluderen dat de kleur 3-3 zat. Na het vallen van KlaverB had west nog ruimte over voor vijf kaarten. Met KlaverB sec zou west over een vijfkaart ruiten beschikken en vermoedelijk daarmee gestart zijn. Nu west echter met harten startte had hij waarschijnlijk maar een vierkaart ruiten en dus een doubleton klaveren. Mede dankzij dit goede spel wonnen Roald Ramer en Leo van den Brom de landstitel paren. Ramer deed dat de laatste vijf jaar drie keer met drie verschillende partners en won tussendoor ook nog even de titel bij de viertallen. Voor Van den Brom was het pas de twee keer dat hij meedeed, maar wel de tweede keer dat hij won. Bij de viertallen heeft hij trouwens al vijf titels op zak.

Van der Neut-Paulissen, vooraf één van de favorieten, deden ook mee. Dit paar dat tot de A-selectie behoort voor het Nederlands team had het zwaar en kon degradatie ternauwernood ontlopen. Dit spel was symptomatisch: West gever Noord Niem. kw. Schoppen AH109 Harten AH8 Ruiten AH106 Klaver 108 West Oost Schoppen B754 Schoppen 2 Harten 4 Harten 10763 Ruiten 842 Ruiten VB753 Klaver HB954 Klaver 732 Zuid Schoppen V863 Harten VB952 Ruiten 9 Klaver AV6 De meeste NZ paren kwamen in 6Schoppen terecht waartegen west startte met harten of ruiten. De leiders sneden uiteraard niet op KlaverH, maar troefden in een vroeg stadium een ruiten in zuid. Consequentie van deze speelwijze is dat een eventuele boer-vierde schoppen er alleen nog bij west kon worden uitgesneden. Zo zat het ook, en 13 slagen rolden binnen. Bij Van der Neut-Paulissen gebeurde iets vreemds:

West Noord Oost Zuid

Rebattu Van der Neut Van Oppen Paulissen

pas 2SA pas 3Ruiten

pas 3Harten pas 3Schoppen

pas 4Ruiten pas 4SA

pas 5Ruiten pas 5SA

pas 6Ruiten pas 6Schoppen

pas 7Harten pas 7SA

pas pas pas

Zeer gecontroleerd boden de Amsterdammers naar het aardige grootslem: 3Ruiten = harten, 4Ruiten = maximum, stelt schoppen als troefkleur vast, 4SA = Roman Key Card Blackwood, 5Ruiten = 3 azen + troefheer, 5SA = coöperatieve grootslem poging, 6Ruiten = RuitenH, 6Schoppen = uitgeboden, 7Harten = niet uitgeboden, HartenH, poging voor 7SA.

West, Max Rebattu jr., vond een duivelse uitkomst: Klaver5 onder heer-boer! Gert-Jan Paulissen legde in dummy de 8 en telde al dertien slagen: vier schoppen, vijf harten, twee ruiten en twee klaveren. Het enige waar hij nog rekening mee moest houden was een mogelijk 4-1 zitten van de troeven. Paulissen redeneerde dat, gezien de uitkomst, west over relatief lange klavers moest beschikken. Dat vergrootte de kans op een mogelijke lengte in schoppen bij oost. Paulissen speelde dan ook SchoppenA en SchoppenH om zich te wapenen tegen boer-vier schoppen rechts en moest toen aanvaarden dat de praktijk weleens de theorie doorkruist.