Pat Buchanan, macho-kandidaat van de Republikeinse voorverkiezingen; De kemphaan voor angstig Amerika

De conservatief Pat Buchanan is onverwacht succesvol in de voorverkiezingen voor het presidentschap. Buchanan is een rebel die geniet van zijn rol als de 'slechterik' van de Republikeinse partij. Hij speelt in op de gevoelens van economische malaise, xenofobie en verwaarlozing die veel Amerikanen delen. Een rechtse stokebrand, kampioen van de vierkante standpunten.

Als Pat Buchanan lacht, en hij lacht veel, gebeurt er iets vreemds. Het lijkt of hij een stapje achteruit doet en zich verbaast over wat hij heeft losgemaakt. Alsof hij lacht om zichzelf en het kolkende zaaltje aanhangers dat serieus gelooft dat hij de nieuwe president van Amerika wordt. Het is bijna een giechel, een hese giechel - hihi. Zijn ogen knijpen zich samen, zijn wangen bollen zich iets en zijn hele, licht schuddende gezicht lijkt even op dat van een gelukkige baby. Maar dan heft hij zijn handen alweer als voor een dubbele karateslag en herneemt hij zijn vlammende betoog. “Vrienden, het vuur is in het hele land ontstoken. Wij zullen Amerika heroveren!” Het gezicht staat weer op verontwaardiging, de hese stem klinkt dreigend.

In de toespraken waarmee Buchanan door het land reist duikt dat lachje regelmatig op, alsof het deel uitmaakt van de interpunctie. Het drukt triomf uit en zelfverzekerdheid, maar ook relativering. Het is het plezier van de underdog die de grote jongens flink aan het schrikken heeft gemaakt. En het is tegelijk een signaal van geruststelling, dat aan zijn harde, bittere woorden iets van hun venijn lijkt te ontnemen. Alsof hij de scherpe kantjes ervan af vijlt. Alsof hij niet echt een presidentskandidaat is die vijandigheid predikt, maar alleen maar een televisiecommentator met gevoel voor humor die doet alsof.

Buchanan beseft als geen van zijn rivalen dat politiek niet alleen serious business is, zoals zijn tegenstander Bob Dole voortdurend betoogt, maar ook amusement. Hij geniet er zichtbaar van zijn gehoor te laten huiveren of schateren. Hij vertelt zijn grappen met de stiltes op de juiste plaatsen om de spanning goed op te bouwen. Zijn uitsmijters klinken of ze hem ter plekke te binnen schieten - dag na dag, avond na avond. “In Californië hebben ze Kerstmis vervangen door Verenigde Naties Dag”, dondert hij. Een ongelovig 'Ohhhh' stijgt op uit het publiek. “Binnenkort wordt Pasen afgeschaft en krijgen we De Dag van de Aarde...” Verbolgen gesis en zacht gejoel. “...dan kunnen we mòdder aanbidden!”

De zaal heeft het niet meer. Velen zullen de grap al wel een paar keer op de televisie hebben gezien, maar Pret maal Verontwaardiging is Heftige Emotie. Het is bijna voelbaar, zo houden ze van deze man. “Go Pat, Go!” wordt in spreekkoor aangeheven. Pat laat de storm even uitwoeden. “Hihihi”.

Maar onmiddellijk daarna gaan zijn mondhoeken weer omlaag en schakelt hij over op een van zijn bittere tirades. Tegen politici van beide partijen die waterdragers zijn van Wall Street. Tegen de grote bedrijven die recordwinsten maken en toch massaal mensen ontslaan. Tegen de handelsakkoorden die banen wegsluizen naar het buitenland. Tegen de Verenigde Naties, de Wereldhandelsorganisatie en andere internationale organen die een voortdurende aanslag plegen op de soevereiniteit van Amerika. Tegen opperrechters die abortus niet illegaal willen maken. Tegen het monsterlijke ministerie van onderwijs waar types in kralen en sandalen ons willen leren hoe we onze Amerikaanse kinderen moeten opvoeden. Tegen ontwikkelingshulp en tegen de reddingsoperatie van 20 miljard dollar waarmee de Amerikaanse regering Mexico te hulp schoot tijdens de peso-crisis. Tegen scholen waar homoseksualiteit als levenswijze wordt gepropageerd, of waar de evolutieleer als waarheid wordt onderwezen. Tegen de invasie van illegale immigranten die jaarlijks vanuit Mexico de grens overkomen - en die in de volgende zin meteen aan de groeiende misdaad worden gekoppeld. Tegen musea die geen respect tonen voor de Amerikaanse cultuur. En niet te vergeten tegen zijn rivalen, My friend Bob, My friend Lamar en Steve. En ten slotte natuurlijk tegen Clinton en niet te vergeten Hillary - altijd goed voor een grap.

Rebels

Buchanan verstaat zijn vak, en zijn vak is het schrijven van toespraken en het optreden in discussieprogramma's op radio en televisie. De politiek heeft hij zijn leven lang met overgave gevolgd, maar politieke verantwoordelijkheid heeft hij nooit gedragen. In 1992 deed hij een gooi naar de Republikeinse nominatie voor het presidentschap, maar hij kwam niet verder dan de status van protestkandidaat tegen de zittende president Bush. Dit jaar telt hij, dankzij zijn verrassende overwinning in de voorverkiezing van New Hampshire, voor het eerst echt mee.

Zijn professionele achtergrond is hem tot nu toe goed van pas gekomen. Dagelijks blijkt zijn talent voor het plaatsen van retorische voetzoekers, dat hij ontwikkelde bij het schrijven van toespraken voor Richard Nixon en diens vice-president Spiro Agnew. En een groot deel van zijn populariteit dankt hij aan zijn imago van straatvechter, dat hij zich eigen maakte in discussieprogramma's als Crossfire van CNN, waar vierkante standpunten belangrijker zijn dan genuanceerde analyses.

Maar nu hij een serieuze kandidaat is voor de nominatie van zijn partij heeft hij ook ander kwaliteiten nodig, waarvan hij nog niet heeft bewezen dat hij ze bezit. Nu hij een bredere groep kiezers moet aanspreken kunnen zijn rauwe uitspraken en zijn bravoure wel eens tegen hem werken.

Na zijn zege vorige week in New Hampshire ontkende Buchanan met kracht dat hij een extremist is, zoals zijn tegenstanders beweerden. Maar hij deed geen enkele poging zijn rebelse imago ook maar enigszins aan te passen aan zijn nieuwe status. Hij genoot teveel van zijn rol als stokebrand om zich opeens als staatsman te gaan gedragen. Hij had 'de ridders en baronnen van de partij' de stuipen op het lijf gejaagd, hihi, en 'gewapend met hooivorken' kwamen de woedende boeren nu hun land terugeisen. Hij sprak glunderend van de 'volksopstand' die hij ontketend had en hij bedacht alweer nieuwe grappen over zijn tegenstanders.

Toen hij in Tucson, in Arizona, een grote zwarte cowboyhoed wilde opzetten om mee voor de pers te poseren, suggereerde iemand voorzichtig dat een lichtere kleur wellicht beter zou ogen. Maar voorzichtigheid is niet een deugd waar Buchanan zich op laat voorstaan. “Welnee”, kon hij niet laten strijdlustig op te merken, “ik ben toch de slechterik?”

Een dag later deed hij er nog een schepje bovenop: met dezelfde hoed op liet hij zich nu fotograferen met een geweer uitdagend boven zijn hoofd geheven. Zijn aanhang, die hij trots de 'Buchanan Brigades' noemt, vond het prachtig. En de foto haalde alle kranten, met de vermelding van Buchanans belofte dat hij met zijn “kruistocht voor Amerika” pal zou staan voor het recht om wapens te dragen. In de Republikeinse partij is dat nauwelijks een uitzonderlijk standpunt, maar de agressieve symboliek van het gebaar lijkt niet ideaal om de beschuldiging van extremisme te ontzenuwen en een breder publiek aan te spreken. De macho-kandidaat leed dinsdag in Arizona een nederlaag.

Nixon School

Patrick Joseph Buchanan (1938) groeide op in Chevy Chase, een welgestelde buitenwijk van Washington, als derde in een katholiek gezin van negen kinderen. Hij gaat er prat op, bijvoorbeeld in zijn autobiografie Right from the Beginning (1988), dat hij al jong een vechtersbaasje was dat vaak en zonder tegenzin op de vuist ging. Maar hij was ook intelligent - het verhaal wil dat hij de rozenkrans al kon opzeggen voor hij kon lopen - en een onvermoeibaar redetwister.

Aan tafel werd in huize Buchanan veel over politiek gesproken. Vader William Buchanan, een accountant van Ierse komaf, had een paar politieke idolen: generaal Douglas MacArthur, symbool van opstandig conservatisme nadat president Truman hem tijdens de Koreaanse oorlog de laan uit had gestuurd, de Spaanse generaal Franco en senator Joseph McCarthy, de bezeten communistenjager.

Aan de Columbia School of Journalism in New York studeerde Buchanan journalistiek, waarna hij, nog geen 25 jaar oud, meteen aan de slag kon als commentaarschrijver voor de conservatieve krant The Globe-Democrat in St. Louis. Hij hekelde het communisme, The Great Society van de toenmalige president Johnson en de raciale integratie waar de burgerrechtenbeweging voor pleitte. In 1966 ging hij werken voor Nixon, die twee jaar later president werd. Met trots vermeldt hij nog altijd dat hij zijn opleiding heeft gekregen aan “The Richard Nixon School of Politics”. Hij schreef enkele van de felste passages in de toespraken van Nixon en Agnew, en vertegenwoordigde in het Witte Huis de conservatieve vleugel van de partij. Na de Watergate-affaire bleef hij het voor Nixon opnemen.

Tijdens het presidentschap van Ronald Reagan keerde Buchanan nog twee jaar naar het Witte Huis terug, als hoofd communicatie onder The Great Communicator. Maar afgezien van die periode en zijn campagne van 1992 was hij de afgelopen twee decennia columnist en politiek commentator. Vooral in die rollen heeft hij standpunten ingenomen en uitspraken gedaan die hem zeer omstreden maakten en beschuldigingen opleverden van anti-semitisme en racisme die hem nog steeds achtervolgen.

Buchanan nam het onder meer op voor de blanke regimes in Rhodesië en Zuid-Afrika en voor de voormalige kampbewaker John Demjanjuk, die ervan verdacht werd de nazi-kampbeul Iwan de Verschrikkelijke te zijn. Hij vroeg zich af wie er in het multiraciale Amerika nog opkomt voor “de Europese Amerikanen”. Hij betoogde dat Engelsen makkelijker in Virginia kunnen integreren “dan eh, bijvoorbeeld Zoeloes”. En hij verzette zich tegen Amerikaanse deelname aan de Golfoorlog, een oorlog die niemand zou willen behalve “het Israelische ministerie van buitenlandse zaken en the amen corner, het hoekje ja-knikkers, in het Congres”. Het Congres verklaarde hij tot “door Israel bezet gebied”.

Maar op het terrein van de economie en de buitenlandse politiek deelde hij in grote lijnen de visie van de Republikeinse partij, zij het vanuit de zeer conservatieve vleugel. Hij was voorstander van een grote internationale rol van de Verenigde Staten in de wereld (om het communisme in toom te houden) en hij hing de beginselen van de vrije markt aan.

Pas tijdens zijn campagne van 1992 bekeerde hij zich tot wat hij noemt het “economisch nationalisme”: de visie dat internationale concurrentie het Amerikaanse bedrijfsleven ondergraaft, en in het bijzonder de werkgelegenheid. Sindsdien werpt hij zich op als de kampioen van “de werkende mannen en vrouwen van Amerika”, die hun lonen zien dalen omdat 'José' uit Mexico bereid is hetzelfde werk voor veel minder geld te doen. En die hun banen zien verdwijnen omdat de ondernemingen hun fabrieken verplaatsen naar landen met lagere lonen.

Angstige klasse

Buchanan blijkt met zijn “conservatisme van het hart” veel kiezers aan te spreken op hun diepste zorgen. Zijn combinatie van economisch protectionisme en cultureel conservatisme appelleert aan de onzekerheid van een grote groep in de middenklasse en de lagere middenklasse, een groep die financieel en maatschappelijk in de knel zit en zich zorgen maakt over de toekomst. De inflatie (2,5 procent) en werkloosheid (5,8 procent) mogen allebei uitzonderlijk laag zijn, er heerst een wijdverbreid economisch pessimisme in het land. De gemiddelde inkomens groeiden nauwelijks in de afgelopen tien, vijftien jaar, terwijl de topinkomens de pan uitrezen en dus de ongelijkheid toenam. Grote bedrijven die vroeger garant stonden voor volledige loopbaan, houden nu drastische ontslagrondes. Een derde van de Amerikaanse werknemers is bevreesd dat iemand in hun familie volgend jaar ontslagen wordt.

Tot al die mensen, wel samengevat onder de noemer 'de angstige klasse' richt Buchanan zich. Hij neemt het op, in de woorden van Oliver North, voormalig hoofdrolspeler in het Iran/Contra-schandaal en tegenwoordig ultraconservatief radiopresentator, voor “het overwerkte, onderbetaalde, God-vrezende, veel belasterde, veel bekritiseerde, zelden geprezen, ondergewaardeerde, met ongewenste intimiteiten lastiggevallen, door positieve discriminatie benadeelde, berispte, veroordeelde en vernederde hard werkende Amerikaanse gezin”. Buchanan zegt het bondiger, maar de frustraties zijn dezelfde.

Buchanans oplossingen voor de problemen zijn simpel. Zoals hij de illegale immigratie wil tegen gaan met een stalen muur langs de Mexicaanse grens, zo stelt hij voor hoge importtarieven in te stellen om de Amerikaanse markt te beschermen. NAFTA en andere vrijhandelsverdragen moeten worden opgezegd. Dat veel werkgelegenheid in industriële sectoren als de textiel niet verdwijnt doordat immigranten Amerikanen op de arbeidsmarkt verdringen of doordat fabrieken overgeplant worden naar de Derde Wereld, maar door de invoering van nieuwe technologie brengt Buchanan nooit ter sprake. En dat hogere importtarieven wel eens doorberekend kunnen worden aan de consument wil hij evenmin weten.

De Republikeinse partij is in de afgelopen decennia een brede conservatieve volkspartij geworden. Met het wegvallen van het communisme als gemeenschappelijke vijand treden er nu onderlinge meningsverschillen aan het licht die niet makkelijk op te lossen zijn. Buchanan gelooft dat hij een brede coalitie kan opbouwen, met behulp van de kiezers die vier jaar geleden op de politieke outsider Ross Perot stemden, Democraten die in de jaren tachtig op Reagan stemden, en de tegenstanders van abortus, immigratie en de controle op vuurwapens. Maar de conservatieve Republikeinen die geloven in de vrije markt en in een internationale rol voor Amerika in de wereld, indertijd belangrijke steunpilaren van Reagans regering, schrikt hij af. Bovendien geloven zij dat Buchanan, mocht hij de nominatie bemachtigen, nooit van Bill Clinton zal kunnen winnen.

In toonaangevende Republikeinse kringen vraagt men zich al af of de eenheid van de partij wel behouden kan blijven. Zal Buchanan als hij de nominatie niet in de wacht sleept de partij niet met zijn aanhang verlaten? In toenemende mate spreekt hij al over de Republikeinse partij alsof hij er geen lid meer van is. Ross Perot is ondertussen hard bezig voor zijn politieke volgelingen een nieuwe, derde partij op te richten, die zich wellicht achter Buchanan zou kunnen scharen.

Militie

Niet alleen in de leiding van de Republikeinse partij, maar ook in de conservatieve beweging in meer brede zin, zit de schrik er goed in. Van The Wall Street Journal tot de oerconservatieve radiopresentator Rush Limbaugh klinken de waarschuwingen tegen een nominatie van Buchanan. “We willen niet leven in het Amerika van Pat Buchanan”, schrijft The Weekly Standard deze week nerveus, het conservatieve tijdschrift van William Kristol, de voormalige stafchef van vice-president Dan Quayle.

De angst voor Buchanan komt niet alleen voort uit diens ideeën en de meningen die hij in de loop der jaren ten beste heeft gegeven. Ook een aantal van de mensen die hij om zich heen heeft verzameld werpt een donkere schaduw over zijn kandidatuur. Twee campagnemedewerkers die banden bleken te hebben met blanke suprematistische organisaties zijn inmiddels ontslagen. Een van de voorzitters van Buchanans campagne, een zekere Larry Pratt, is slechts op non actief gesteld toen zijn banden met zo'n organisatie aan het licht kwamen. Als goede vriend wilde Buchanan hem niet laten vallen. Pratt blijkt een van de ideologen van de militie-beweging. Kort na de aanslag, vorig jaar, op het overheidsgebouw in Oklahoma City merkte hij op dat “wie dat gedaan heeft zich heeft verlaagd tot het niveau van de FBI”.

Pat Buchanan is op campagne in zijn element. Onvermoeibaar bezielt hij zaaltje na zaaltje. Per dag geeft hij tientallen interviews aan radiostations. En voortdurend blijft hij alleraardigst tegen de pers. Buchanan kent de pers en hij weet wat zij nodig hebben. Jongens, vanmiddag gaan we een nieuw reclamespotje opnemen, willen jullie komen filmen? En zo komt de kandidaat weer gratis op het avondnieuws, bezig een spotje in te studeren en op te nemen.

De leiding van de campagne is in handen van Bay, de jongere zuster van Buchanan, die zo sterk op hem lijkt dat ze wel “Pat in travestie” wordt genoemd. Haar broer noemt haar 'generaal MacArthur', zelf ziet ze zich liever als Buchanans Bobby Kennedy. Deze ervaren campagnevoerder, ze was penningmeester van de verkiezingscampagne van Ronald Reagan in 1980, zou haar broer hebben overgehaald zich dit jaar weer in de strijd te werpen.

Bij de meeste spreekbeurten wordt Buchanan begeleid door zijn vrouw Shelley, die hij aan het publiek voorstelt als “de fantastische dame die ik zal voordragen als opvolgster van Hillary. Als jullie een baantje willen hebben in het reisbureau van het Witte Huis moet je je nu aanmelden. Hihihi.” Maar naarmate de campagne vordert, nemen de druk en de spanning toe. De vermoeidheid begint zijn tol te eisen, en de strijd tussen de kandidaten wordt grimmiger. Nu Buchanans kansen zijn gegroeid nemen de aanvallen op hem en zijn ideeën toe. Het lachje wordt zeldzaam.

Bij alle onrust die de opkomst van Buchanan zaait, is het makkelijk uit het oog te verliezen dat hij nog in geen enkele staat meer dan een kwart tot een derde van de Republikeinse stemmen heeft gekregen. Zijn succes is betrekkelijk, en mede veroorzaakt door het grote aantal gematigde kandidaten, die in hun onderlinge strijd hun macht versnipperen. Als het deelnemersveld de komende weken wordt uitgedund, zal duidelijker worden hoe groot het deel van het Republikeinse electoraat is dat Buchanan werkelijk als een aanvaardbare of zelfs wenselijke kandidaat ziet.