Ogawa en onze huizenmarkt

Tadashi Ogawa, de Japanse staatssecretaris van financiën, zal het waarschijnlijk nooit weten, maar hij is er indirect de oorzaak van dat de gemiddelde Nederlandse huizenkoper sinds anderhalve week 70 gulden per maand meer aan zijn woning kwijt is.

Alles wat Ogawa deed was drie weken geleden opmerken dat de lage Japanse rente slecht kan zijn voor de pensioenopbouw in Japan. Via de onnavolgbare gangen van het snelle internationale kapitaal resulteerde dat in de koersval op de Nederlandse obligatiemarkt, die de banken uiteindelijk dwong hun hypotheektarieven op te schroeven met 0,3 tot 0,4 procent.

De manier waarop dat gebeurde heeft alles te maken met de stille revolutie die zich de laatste tien jaar op de internationale obligatiemarkt heeft voltrokken.

De markt wordt niet langer bevolkt door bedaarde lange-termijnbeleggers die kopen en houden, en door arbitrerende handelaren die prijsverschillen tussen verschillende beurzen gladstrijken. De obligatiemarkt is het jachtterrein van beleggings- en pensioenfondsen die door hun deelnemers steeds vaker op hun korte termijnprestaties worden afgerekend, het domein van zeer speculatieve fondsen die met geleend geld en financiële derivaten als opties, termijncontracten en ruilcontracten hun slagkracht verveelvoudigen, en niet in de laatste plaats de speeltuin van een enorme populatie van handelaren van banken en effectenhuizen, die massaal geld van hun instelling inzetten op kleine koersverschillen. “Twintig jaar geleden waren er wereldwijd misschien 20.000 mensen met het vak bezig, nu zijn het er honderdduizenden,” zegt een goed ingevoerde bankier. De toegenomen nadruk van de spelers op de financiële markten op korte-termijnwinst, en de zwaardere wapens die zij daartoe in handen hebben, veroorzaken nu en dan grote koersfluctuaties. Groter dan voorheen, meent een van de spelers. “Waar de rente vroeger een achtste procent steeg of daalde naar aanleiding van onverwacht nieuws, zijn dat er nu meteen drie achtste.” Mathematische berekeningen van de beweeglijkheid van de financiële markten bevestigen dat beeld overigens niet. Maar de deelnemers zelf kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat koersbewegingen tegenwoordig heviger zijn, en soms langer duren, dan vroeger. Via de internationale bankwereld staat het onvoorstelbare bedrag van 41.000 miljard dollar aan derivatencontracten uit, en tweederde daarvan heeft betrekking op rentebewegingen.

De scherpe rentestijging van de laatste maand, van 5,75 procent naar tegen de 6,5 procent, had dan ook minder te maken met fundamentele economische overwegingen van beleggers, dan met een massale en paniekerige afwikkeling van speculatieve posities op de valuta- en obligatiemarkt. Volgens handelaren heeft de 'rentehobbel' zich als volgt voltrokken: Amerikaanse hedge funds die, in tegenstelling tot wat hun naam doet vermoeden, hoge risico's nemen op zoek naar een hoog rendement, maakten vorig jaar gebruik van de extreem lage rente van minder dan 1 procent op Japanse yen, om zich met dat geleende geld vervolgens in te kopen op de Amerikaanse en Europese obligatiemarkt. Zo konden zij op drie manieren geld verdienen: de yen zou verzwakken, en dus konden de leningen goedkoper worden terugbetaald. Het renteverschil tussen de geleende yen en de gekochte Westerse obligaties bedraagt zo'n zes procent, waardoor er een flinke hefboom op het fondsvermogen ontstond. En de Amerikaanse en Europese obligaties stegen ook nog eens in koers.

Het schema - vrijwel een kopie van wat twee jaar geleden de obligatiekrach van 1994 inluidde - was bijna te mooi om waar te zijn. Halverwege januari ontstond het gevoel dat het wel eens afgelopen kon zijn met de officiële Duitse renteverlagingen die de obligatiemarkt tot voor die tijd zo krachtig hadden ondersteund, en Ogawa's opmerkingen tot overmaat van ramp werden gezien als een zinspeling op een Japanse renteverhoging.

De officiële rente op de yen dreigde te stijgen, en deed dat op de Japanse obligatiemarkt overigens ook, terwijl de rente op de Europese obligatiemarkt licht opliep, van 5,75 procent naar 5,9 procent, en de koersen van obligaties navenant daalden. Hoogste tijd, aldus, om de posities versneld te liquideren. Hetgeen achtereenvolgens een koersdaling van Europese en Amerikaanse obligaties tot gevolg had, en een opwaartse druk op de yen door de vraag naar die munt om de leningen mee af te betalen - waarmee het probleem zichzelf versterkte en de noodzaak tot verder liquideren verhoogde. Daarna versterkte het gedwongen afwikkelen van de speculatieve posities die met name de banken op de obligatiemarkt hadden ingenomen het effect, tot de rentestijging uiteindelijk rond de 6,4 procent tot stilstand kwam.

Zo geeft de jongste rentestijging aan dat de obligatiemarkt misschien wel vaak, maar lang niet altijd de koele scherprechter van inflatie en overheidsfinanciën is, waartoe hij door het marktdenken van de jaren negentig is gebombardeerd.