Mexico, Peru en Bolivia komen op als drugslanden

De Verenigde Staten hebben Colombia, 's werelds grootste producent van cocaïne, gisteren gediskwalificeerd als medestander in de war on drugs. De intrekking van de steun aan Colombia is ingegeven door de wijdverbreide corruptie - tegen president Samper loopt een parlementair onderzoek omdat hij ervan wordt verdacht geld te hebben aangenomen van het Cali-kartel - de sterke toename van het areaal waar coca (de grondstof voor cocaïne) en papaver worden verbouwd en een in de ogen van de VS te zachtzinnige aanpak van drugshandelaren.

In het begin van de jaren negentig schakelde de Colombiaanse overheid het Medellin-kartel uit. Maar het kartel van Cali nam zijn plaats in en werd daarmee de grootste drugsorganisatie ter wereld. Het gisteren verschenen rapport van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken constateert dat de arrestatie van een drugsbaron in het algemeen niet zozeer “een organisatie verlamt” maar “slechts een tijdelijke vacature” creëert. Ook na de arrestatie van de top van het Cali-kartel namen andere kartels de handel over. Niet alleen in Colombia, maar vooral ook in de coca-producerende landen Bolivia en Peru en Mexico, het belangrijkste doorvoerland voor cocaïne naar de VS. Functionarissen van de Amerikaanse drugsbestrijdingseenheid DEA waarschuwden vorig jaar augustus voor de kracht en de omvang van de kartels van Mexico, die de Colombiaanse kartels naar de kroon zouden steken. President Ernesto Zedillo zei in een reactie daarop dat Mexico nooit een tweede Colombia zou worden. Maar ook in Mexico is de corruptie tot in regeringskringen doorgedrongen. Gisteren werd bekend dat een internationaal onderzoek naar de betrokkenheid van Raúl Salinas, broer van ex-president Carlos Salinas, bij drugshandel en het witwassen van drugsgelden wordt geïntensiveerd. Raúl Salinas zit momenteel in voorarrest, de verblijfplaats van Carlos is onbekend.

Mexicaanse kartels waren, tot de val van het Cali-kartel, de tussenhandelaren voor Colombiaanse leveranciers. Een functionaris van de DEA zei in december dat de operaties van het Cali-kartel na de arrestatie van de top weliswaar verstoord waren, maar dat de verkrijgbaarheid van cocaïne in de VS hierdoor niet was verminderd. De minister van Binnenlandse Zaken van Bolivia moest vorig jaar, nadat in Lima vier ton cocaïne was aangetroffen in een lijnvliegtuig uit Bolivia, toegeven dat in zijn land een autonome drugsindustrie was opgekomen, los van Colombiaanse drugshandelaren. Voorheen was Bolivia slechts een van de belangrijkste leveranciers van coca.

Een Boliviaans programma dat is bedoeld om de zogeheten cocaleros, coca-verbouwende boeren, te laten overschakelen op alternatieve gewassen leidt al jaren tot conflicten tussen coca-boeren en de overheid. In december ondernamen enkele honderden boerinnen een demonstratieve mars vanuit Chapare, het centrum van de coca-teelt, naar de hoofdstad, La Paz. Zij protesteerden tegen de lage prijzen voor de alternatieve gewassen en tegen de beruchte Ley 1008, een wet die het mogelijk maakt mensen die verdacht worden van drugshandel zonder aanklacht vast te zetten. In Peru leek het programma om boeren in de Huallaga-vallei over te laten stappen op andere gewassen eind vorig jaar succesvol. Deze vallei is met een oppervlakte van 100.000 hectare bebouwd land de grootste coca-producerende regio ter wereld. In januari bleek echter dat de coca-boeren waren overgestapt op marihuana en papaver. De reden voor deze overstap was de lage prijs voor coca, ingegeven door het wegvallen van de belangrijkste afnemer: het Cali-kartel. De prijs is intussen gestegen van twee dollar in september naar zeven dollar.

Peru is als producent van drugs ook sterk in opkomst. President Fujimori maakte eind vorig jaar bekend dat Peru dat jaar een recordhoeveelheid drugs had onderschept: 30 ton. Volgens Fujimori was dit vooral het resultaat van de acties van het leger en de politie. In 1994 stelde de minister van Buitenlandse Zaken, Efrain Goldenberg, dat de arrestatie in januari van een aantal drugshandelaren en de vangst meer dan 3.000 kilo cocaïne die per onderzeeboot getransporteerd moest worden naar de wateren voor de VS, aantoonde dat Peru een eigen drugsindustrie had. In 1993 was 93 kilo onderschept.