Lezingen

DAVID CAHAN (red.): Hermann von Helmholtz. Science & Culture. Popular and Philosophical Essays

418 blz., University of Chicago Press 1995, (Populäre wissenschaftliche Vorträge, Friedrich Vieweg und Sohn 1865), ƒ 42,15

Een Naturwissenschaftler uit de negentiende eeuw was iemand die beschikte over een encyclopedische kennis en die kennis door het geven van lezingen overbracht aan het leergierig publiek. Voor de Duitser Hermann von Helmholtz (1821-1894) was het de verwerkelijking van een jongensdroom: dankzij een vruchtbare, scherpzinnige geest zou hij één van de meest gevierde Naturwissenschaftler van zijn tijd worden. Om zijn lezingen aandachtig te kunnen volgen moeten zijn toehoorders wel over een ruime hoeveelheid zitvlees hebben beschikt.

Uit de pas verschenen Engelse vertaling van zijn populair-wetenschappelijke lezingen blijkt dat Helmholtz aan boekenwijsheid een broertje dood had, niet in de laatste plaats doordat hij leed aan leesblindheid. In plaats van zijn onderwerp in grote trekken uit de doeken te doen, begon de serieuze Pruis met een minutieuze uiteenzetting van de redenen waarom hij optrad als lector, lanceerde pas dan zijn probleemstelling en kwam daar, na een uitvoerige uitweiding over de geschiedenis van zijn onderwerp, via een omweg weer op terug. Hij was een man van de praktijk, geen kamergeleerde.

Helmholtz stelde zware eisen aan de leerling die bij hem praktijk deed. “Zijn zintuigen moeten door verschillendsoortige waarnemingen aangescherpt worden, hij moet minieme verschillen kunnen bespeuren in vorm, kleur, vastheid, geur (...) in het object dat hij bestudeert; zijn hand moet even wel thuis zijn in het werk van de hoefsmid, als in het werk van de slotenmaker, en in dat van de timmerman, of de tekenaar en violist, en, wanneer hij een microscoop ter hand neemt, moet hij ook, in zijn vaardigheid om de naald op delicate wijze te hanteren, boven het vakmanschap van de borduurster uitstijgen.”

Werkend in een tijd waarin de beoefenaar van de natuurkunde nu niet bepaald in hoog aanzien stond, deed Von Helmholtz, zelf in ruime mate begiftigd met voornoemde vaardigheden, de een na de andere ontdekking, die nu als baanbrekend beschouwd worden. Als zintuigfysioloog, als theoretisch- en experimenteel natuurkundige, uitvinder en als één van de grondleggers van de fysiologische methode in de psychologie, is zijn staat van dienst indrukwekkend. Zo mat hij als eerste de snelheid van zenuwimpulsen en ontwikkelde hij de optalmoscoop (een instrument om de retina in het menselijk oog in vive te bestuderen). Bovendien ontdekte hij, voortbouwend op het werk van Joule, Carnot en Mayer, de wet van het behoud van energie. Daarnaast bracht hij verfijningen en verbeteringen aan in tal van instrumenten, waaronder de sirene, die er destijds uitzag als een gewaagde kruising tussen grammofoonspeler en kerkorgel. Resultaten die volgens zijn leerling, de Amerikaanse psycholoog William James, “onmogelijk waren geweest in een land waar de mensen in staat zouden zijn zich te vervelen”.

Helmholtz, een man van de daad, was vooral de redelijkheid zelf. Waar bijvoorbeeld Nederlandse schrijvers inhakten op Goethes kleurentheorie, met elkaar wedijverend om die in het belachelijke te trekken, nam Helmholtz het juist voor Goethe op. In vele lezingen bleef hij zich verwonderd afvragen hoe een geest als Goethe, die keer op keer aantoonde de Newtoniaanse optica tot in de finesses te beheersen, deze toch te vuur en te zwaard bleef bestrijden. Wetenschapshistorici zouden na lezing van dit boek wel eens tot de ontdekking kunnen komen dat hier nog een heel terrein braak ligt.