Lente

Vandaag begint eindelijk het wielerseizoen. Het gepruts in de Ruta del Sol en de Ronde van Mallorca mag geen naam hebben. Sinds mensenheugenis is de Omloop Het Volk de absolute ouverture voor mens en fiets. In de Vlaamse Achterhoek met kasseien als kinderkoppen, een hel van motregen, uitgelopen dorpen waar de rest van het jaar nooit iets gebeurt, hoor je de spaken pas echt zingen. Niet de eerste zwaluw, het peloton kondigt de lente aan. Op deze avond voor de semi-klassieker Gent-Gent voel ik ook weer dat er nieuw leven op komst is. De gevoelstemperatuur maakt een sprongetje in de hoogte. De aftershave doet het ineens niet meer, althans de huiskamer lijkt gevuld met de heerlijke geur van masseerolie. En de broze gedachten waarmee ik aan de nacht begin gaan niet meer uit naar Maria Callas maar naar Mario Cipollini. Wielrennen, ik wou dat ik nog een kind was, dat ik er zelf aan kon beginnen.

Wielrenners zijn de laatste sporters die nog geloven in de liefde. Ze rijden niet op haat, ze rijden op ongeremde hartstocht die in het burgerleven wordt weggeschoven achter postmoderne maskers. Ze houden van hun fiets; het carbon-vorkje, het titanium-frame, het stuurlint, alles wordt gestreeld. Ze houden zelfs zoveel van het landschap waarin ze hun sport beoefenen dat het weerbarstige van de bergen tot in hun jukbeenderen gloriëert. Rennerskoppen zijn antieke gezichten, als het ware regelrecht gebeiteld uit de massieve rotsen langs de weg. Of uit slagregen.

Het epos van honger en ontbering mag dan wat minder zijn dan vroeger, het aan elkaar doorgeven van het drinkbusje in een Danteske bergetappe is nog steeds een kwestie van leven en dood. Om in deze sport te winnen moet je in de buurt van het instinct blijven. Daarom weten renners zo goed dat er in dit leven niets anders te koop is dan totale desolaatheid, sex die wurgt, triomf en dood. Op de fiets wordt nagedacht over het leven, daar is ook tijd voor. Een renner mag je eigenlijk niet aanspreken, je moet hem laten mijmeren over de ambiance en de doem van het vak.

Wielrennen is de sport van de armen en dat doet deugt in deze tijd van schofterige hold-ups die door keurige heren van voetbalbonden worden gepleegd. Het peloton is ook wel een reclamezuil met een te lange staart geworden, maar gelukkig vreet deze orgie van smaakloosheid nog niet in op het rennersgedrag. De kampioenen en hun knechten blijven zich loszingen van institutioneel gezag, televisiemanagers, Erica Terpstra's. Ze doen de dingen met elkaar, kijken niet op of om naar voorzitter en sponsor. Het peloton is niet geïnfecteerd met baronnen van het regime die zich in Zeist en aanverwante verderfelijke oorden rijk rekenen. Bondsbestuuders van de wielrennerij vallen alleen op door een ongepolijste luidruchtigheid die ze in de horeca hebben geleerd. Ze denken, praten en handelen als kleine middenstanders met meer vreugde dan berekening voor hun winkeltje. Waar ze ook komen, de zwarte nagelranden getuigen van eerbaar werk.

Bij elke wedstrijd van Ajax zie je de halve penose van Amsterdam rond het elftal, en meer nog rond Michael van Praag, hangen. De conversaties zijn verdacht broederlijk, intens en natuurlijk stijlloos. Kennelijk heeft de mafia in het peloton niets te zoeken. Donkere kleerkasten met zonnebril en een fijn gitzwart snorretje zie je niet in de Tour, bij de aankomst van een klassieker, zelfs niet bij een kermiskoers. Er valt ook weinig te rapen. De meeste renners rijden nog voor nieuwe keramieken tegeltjes in de badkamer. In tegenstelling tot de jeunesse dorée van het voetbal, zit hun rijkdom en schoonheid van binnen. En ja, als een rennertje van Foreldorado vandaag onverhoopt de Omloop Het Volk zou winnen, dan komt er natuurlijk wijn op tafel. Maar dan zijn vader en moeder er ook nog om het slempen binnen de perken te houden.

Ondanks de plaag van doping, combines, kwakken en fiscale handigheidjes blijft het wielrennen de meest zuivere sport. Er rijden geen vlammenwerpers mee in het peloton, niemand wordt verdelgd of dodelijk geraakt in de intrige en de ontluistering. De eenlingen maken de dienst uit. Op de fiets. In gemoedelijke razernij, tot de streep in zicht is. De renner heeft de schoonheid van degradatie en ondergang in zelfbeheer. Dat kan Frank de Boer hem niet nazeggen.