Indianenverhaal ontpopt zich tot een new age-pamflet

Voorstelling: Het paradijs, door ELS Inc./ Carina Molier/ NESprodukties. Regie: Carina Molier; spel: Gusta Geleijnse en Arie de Mol; dramaturgie: Mart-Jan Zegers en Marieke Donders. Gezien: 27/2 Frascati, Amsterdam. T/m 9/3 aldaar; aanvang 21u. Res 020-6266866.

De hel, is dat de grote stad? In Carina Moliers voorstelling Het paradijs doet men er alles aan om ons een afschrikwekkend beeld van de urbane woestenij te geven. Bij binnenkomst in het theaterzaaltje dreunt snoeiharde techno-house de bezoeker tegemoet en op een projectiescherm draait een zenuwslopende montagefilm van rennende voetgangersmeutes, rinkelende kassa's en voortracende auto's.

De doorsneemetropool met zijn robot-achtige haast is een oord waar een gezond mens niets te zoeken heeft, lijken de makers van het filmpje te willen zeggen - en als de oorverdovende muziek is uitgezet valt er een weldadige stilte. Een beter moment om de toeschouwer het paradijs te tonen is nauwelijks denkbaar. Het paradijs: dat is het geruis van boomtoppen en het gekabbel van een rivier, dat is de ongerepte natuur, zo blijkt uit een nieuw filmfragment. Dat is de natuur waar eens de indianen van Noord-Amerika woonden.

Maar bulldozers veranderen die prachtige natuur in een maanlandschap, en tegelijk met deze trieste metamorfose veranderen de theatermakers Arie de Mol en Gusta Geleijnse in twee jonge indianen die naarstig op zoek zijn naar het paradijs waaruit hun voorouders werden verdreven. Daar zitten ze samen aan een campingtafeltje: hij met een zwarte langharige pruik op z'n kop, zij met een spits zuinig mondje, en allebei loeren ze door zo'n gruwelijk grote zonnebril waar Amerikaanse activisten in de jaren zeventig het patent op hadden.

Hun optreden begint dolkomisch omdat Arie de Mol alias gespreksleider Mike zijn gast aanvankelijk geen seconde aan het woord laat. Lange ouwehoerverhalen vertelt Mike over zijn losgeslagen jeugd in 'zo'n rotreservaatje' in Oklahoma. Erg grappig allemaal, totdat de truc al te doorzichtig wordt: De Mol speelt helemaal geen indiaan uit Noord-Amerika, maar een doodgewone oudere jongere. De tradities en rituelen waarover deze tot het licht bekeerde ex-verslaafde bazelt hebben niets met indiaanse gebruiken te maken, eerder met een sterk verwaterde new-age-boodschap. En Gusta Geleijnse, alias 'dorpsoudste Sarah' legt, zodra zij eindelijk haar mond mag opendoen, nóg meer bekeringsijver aan de dag: haar wijze levenslessen zijn rechtstreeks afkomstig uit de boekjes Dr. Wayne Dyer en andere holistische therapeuten.

Dat we veel kunnen leren van de wind, van planten, dieren en kinderen wist ik al. De Mol, Geleijnse en regisseuse Molier hebben een hekel aan vet acteergeweld en drama's die ver van hen af staan. Ook op het toneel willen zij dicht bij zichzelf blijven - maar in dit geval leidde die opzet, de kunstzinnige multimedia-vormgeving ten spijt, op den duur tot een slaapverwekkende vorm van underacting en tot minder dan middelmatige teksten. Had Molier, die beweert haar voorstellingen te baseren op authentiek feitenmateriaal, ons maar iets anders voorgezet dan deze voorspelbare geloofsbrief van drie oh zo Hollandse theatermakers.