Historicus H.F.J.M. van den Eerenbeemt: 'Brabant was altijd al in beweging'

H.F.J.M. VAN DEN EERENBEEMT (red.): Geschiedenis van Noord-Brabant. Deel 1: 1796-1890 Traditie en modernisering

448 blz., geïll., Boom 1996, ƒ 70,-*)

Wie zijn toch die Brabanders? Menige Hollander vroeg het zich af toen hij zo'n tweehonderd jaar geleden in de zuidelijke provincie rondtrok. Zo ook dominee S. Hanewinkel, die kort voor 1800 in een befaamd reisverhaal de Brabanders beschreef als een achterlijk en bijgelovig slag mensen, zonder 'waarlijk geleerde mannen' of 'kundige luiden'. De zeden waren verwilderd, hij trof veel analfabeten aan en ze waren bang voor spoken, heksen en weerwolven. De kerkhoven meden ze angstvallig.

Dat stereotiepe beeld van Brabanders, een erfenis uit de achttiende eeuw, bleef de hele volgende eeuw bestaan. En ook daarna. Het staat te lezen in Geschiedenis van Noord-Brabant, een driedelig werk over de historie van deze provincie. Het eerste deel, Traditie en Modernisering 1796-1890, ligt vanaf 7 maart in de winkel. Brabanders zelf hadden in de vorige eeuw nog geen duidelijk idee wie ze waren, “want er waren nog geen prominente vertolkers van het Brabantse levensgevoel”. De Hollanders meenden echter goed op de hoogte te zijn, ook dank zij de vele in het zuiden gestationeerde protestantse ambtsdragers: in hun rapporten aan 'Den Haag' wemelde het van klachten over weerbarstig rooms verzet. Andere verhalen van 'boven-Moerdijkers' waren wat milder: De Brabanders met hun kinderrijke gezinnen vormden “een vriendelijk, maar onderontwikkeld volkje. En ze waren arm”.

Prof. H.F.J.M. van den Eerenbeemt schudt het hoofd. “Het zijn doorgaans reisbeschrijvingen van mensen uit de grote steden in het westen”, verduidelijkt de pas gepensioneerde hoogleraar, onder wiens redactie de serie tot stand kwam.

“Lieden uit Utrecht, Leiden en Amsterdam, die de tijd en het geld voor zo'n tocht hadden. Die jongelui van gefortuneerde ouders kwamen in Brabantse regio's, waar ze niet die welstand aantroffen die ze thuis gewend waren. 'Alles ontbreekt in dit achtergebleven gebied', schreven ze. Dat wil niet zeggen dat dat ook de werkelijkheid was. Die Hanewinkel? Die was stevig anti-katholiek. Protestantisme was de officiële godsdienst, maar de Brabanders lieten zich de religie niet opleggen. Ik kan me best voorstellen dat die dominee heel ongelukkig was. Hij was voor een hoog salaris naar Brabant gestuurd en de mensen hier deden of hij lucht voor hen was.”

Klei

Sinds mensenheugenis gaat het hardnekkige verhaal dat Brabant in de negentiende eeuw veel armer was dan de rest van Nederland. “Dat gold in ieder geval niet voor de steden”, zegt Van den Eerenbeemt, die sociale, economische en politieke geschiedenis doceerde aan de Katholieke Universiteit Brabant. “En wat het platteland betreft, West-Brabant met zijn klei had het goed. Het midden en oosten van de provincie kenden welvarende gebieden, maar ook zeer noodlijdende regio's. Als je totaal Brabant vergeleek met het rijke Den Haag, dan was het natuurlijk arm. Zette je Brabant naast Drenthe of de Friese veenwouden, dan was daar geen sprake van.”

De Brabantse mentaliteit droeg, volgens het boekwerk, in de negentiende eeuw de sporen van een 'generaliteitscomplex'. De bewoners van het wingewest - het werd rechtstreeks door de Staten-Generaal, de 'Generaliteit', bestuurd en kreeg pas in 1796, na twee eeuwen, afgevaardigden in de Staten-Generaal van de Bataafse Republiek - misten zelfrespect; ze zouden lijdzaam zijn en moesten vreemde gouverneurs als bestuurders dulden. Van den Eerenbeemt is echter van oordeel dat dit generaliteitscomplex is “opgeklopt”. “Heel bewust, door de Brabanders zelf. Ze deden hetzelfde wat de Limburgers de afgelopen decennia hebben gedaan. Die riepen: 'We zijn de mijnen kwijt geraakt. Kom op, Den Haag, we willen geld zien'. De voorgangers in Brabant spéélden dat de provincie een complex had. Om allerlei concessies af te dwingen en om in eigen kringen een movement op gang te brengen: als je de samenleving in beweging wil zetten, dan heb je een buitenpartij nodig, een soort vijandfiguur tegen wie je je kunt afzetten.”

Vooral het centrale gezag kreeg er van langs. “De belasting oplichten, dat mocht, dat werd hier in Brabant algemeen aanvaard”, vertelt Van den Eerenbeemt. “Dat geld ging toch maar naar de overheid. Die moraal is pas veranderd in de jaren vijftig, zestig van deze eeuw. Toen pas accepteerde men dat die overheid er ook voor Brabant was, dat men die dus niet behoorde te tillen. Eerder was het anders. Smokkelen? De pastoors in de grensdorpen stonden vijftig jaar geleden aan de kant van de smokkelaars, ze verkondigden nog net niet vanaf de preekstoel dat smokkelen geoorloofd was. Een procureur-generaal of officier van justititie stapte boos naar de hogere regionen van de katholieke kerk. 'Natuurlijk mag smokkelen niet', kreeg hij dan van de bisschop te horen. Maar de gelovigen hoefden het niet te biechten.”

Beroemde smokkelaars als Braspenninx, de Zwarte Ruiter en Wim van Est worden niet met naam en toenaam genoemd in Geschiedenis van Noord-Brabant. “In deel 2 van ons standaardwerk wordt die bezigheid in een breed verband behandeld”, zegt Van den Eerenbeemt. “Kleine smokkelaars vonden het leuk om die vreemdelingen van de douane een loer te draaien, maar ze lééfden ten dele ook van dat clandestien rommelen met zout en sigaretten. Na de Tweede Wereldoorlog maakte een aantal lieden er een lucratief beroep van. Ze stopten pantserwagens vol boter en gooiden kraaiepoten op de weg, zodat de achtervolgende politie een lekke band kreeg.”

Baldadigheid

Het percentage protestanten in leidende Brabantse kringen was na de Franse tijd in het begin van de vorige eeuw onevenredig hoog gebleven. “Er maakten veel te weinig mensen uit het katholieke deel van de provincie deel uit van het gezag. Het was heel belangrijk, vooral voor de emancipatie van Brabant, dat zich meer notarissen, advocaten en andere notabelen uit de streek meldden, want er waren te weinig goed opgeleide mensen.” Geschiedenis van Noord-Brabant beschrijft dat in 1815 in de zuidelijke provincie 35 procent van de bruidegoms en vijftig procent van de bruiden analfabeet waren. Het schoolbezoek van kinderen (van vijf tot veertien jaar) lag in 1800 landelijk op vijftig, in Brabant op veertig procent.

“Rond 1820 waren er hier in Brabant heel weinig scholen”, vertelt Van den Eerenbeemt. “De rijke kinderen kregen huisonderwijs, de rest van de jeugd hing buiten rond, terwijl vader en moeder hard werkten om aan de kost te komen. Er was daardoor enorm veel baldadigheid op straat, minstens zo erg als tegenwoordig. Maar er ontwikkelde zich een bedrijfsleven, dat behoefte had aan bekwame arbeidskrachten. In een astromomisch snel tempo werden congregaties opgericht. Die roomse hulptroepen werden ingezet om de maatschappelijke achterstand in te halen. Tegen 1900 kan het onderwijs in Brabant zich meten met dat in de rest van het land.”

In 1860 gingen er in Brabant op elke 100 jongens zelfs 90 meisjes naar school, landelijk was die verhouding 100:75. Dat veel meisjes in Brabant de weg naar de school vonden, was vooral te danken aan de nonnen, in wie de ouders op het platteland veel vertrouwen stelden. “In Tilburg deed pastoor Zwijsen veel goed werk”, aldus Van den Eerenbeemt. “Hij ronselde de rijke fabrikantendochters, die toch niks anders hadden te doen, om onderwijzeres te worden. Er werden honderden, duizenden scholen gesticht.”

Pas aan het einde van de vorige eeuw gingen de eerste middelbare scholen in Brabant open. Men had grote moeite om aan katholieke docenten te komen. Van den Eerenbeemt: “Zeker aan katholieke docenten van Brabantse komaf. Het gymnasium of - voor wie priester wilde worden - het seminarie had de voorkeur en dat is altijd, ook veel later nog, zo gebleven. De MULO was het onderwijstype voor de emancipatie van onderaf. Voor mensen met een goed verstand, maar zonder veel financiële middelen. De leerlingen die hogerop wilden gingen na de MULO naar de kweekschool. Ze werden onderwijzer, haalden vervolgens een hoofdakte en volgden cursussen bij de Leergangen. Zo werden ze MO'ers.”

De HBS was niet in trek. “Veel oude HBS-en zijn Brabant door de strot geduwd”, zegt Van den Eerenbeemt. “Het waren dan ook Rijks HBS-en. Thorbecke drong die op om zijn ideeëngoed erin gepompt te krijgen. De HBS - hier in Tilburg was Vincent van Gogh trouwens een van de eerste leerlingen - was een schooltype voor de administratieve, technische en economische sector. Daar was in het opkomende bedrijfsleven veel behoefte aan, maar daar hadden de katholieken geen sjoege van. De interesse voor de administratief-technische kant van de samenleving is in katholieke kringen pas tamelijk recent ontstaan. Er bestond wat dat betreft een grote achterstand in Brabant, die men nu aan het inlopen is. Natuurlijk, er was hier wel belangstelling voor de ambachtsschool, voor een technische hogeschool was die uitermate beperkt. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam de Technische Hogeschool in Eindhoven. Commissaris van de koningin J. de Quay was de grote man achter dat idee. Hij stichtte die TH, omdat hij inzag dat zo'n instelling een hoeksteen vormde van de moderne ontwikkeling. Brabanders zijn pas na 1945 massaal naar de universiteit gegaan.

Van den Eerenbeemt en zijn uitgebreide groep medewerkers begonnen in 1988 met de voorbereiding op de Geschiedenis van Noord-Brabant, het project startte twee jaar later. Er was naar hij zegt “grote behoefte” aan de studie, omdat er nog geen serieus, diepgaand onderzoek was gedaan naar de historie van deze provincie.

Beeldvorming

Wel verscheen tussen 1952 en 1955 Het Nieuwe Brabant, een driedelig werk onder redactie van bovengenoemde J. de Quay, de latere premier. “Het was typisch een beeldvorming”, aldus Van den Eerenbeemt. “Zo van: Brabant heeft het oude achter zich gelaten. Het was ook een oproep aan de ondernemers. Kom allemaal naar Brabant, ga hier investeren. Er woont hier goed en arbeidzaam volk.” Het meest opmerkelijk van zijn 'studie' is volgens Van den Eerenbeemt “het feit dat Brabant in wezen moderner is dan we dachten en dat er in onze provincie vroeger, zeker heel vroeger, meer beweging zat dan men algemeen veronderstelde. Brabant was een stilstaande, dooie boel, nam men aan, hoewel het er wel heel landelijk was. Dat laatste beeld werd ook opgeroepen door de schilderijen, onder andere van Van Gogh. Zo zal Brabant wel geweest zijn, was het idee, maar dat is niet het héle beeld.”

De katholieke kerk speelt in de Brabantse historie een nauwelijks te onderschatten rol. Niet alleen in het onderwijs, ook bij het emancipatieproces, de sociale voorzieningen, de ziekenzorg. “De Brabantse kerk van de tweede helft van de negentiende eeuw is een echte volkskerk”, zegt Van den Eerenbeemt. In Holland kende men de elitekerk, die financieel krachtig werd gesteund door een kleine rijke groep. Daar liep het geld vlot binnen, maar o wee, als de wind tegen ging zitten. Dan werd het draagvlak heel dun. In Brabant kon het gewone volk veel minder aan de kerk afstaan, maar de groep was veel omvangrijker. Uiteindelijk kwam er even veel binnen. Den Haag weigerde bijvoorbeeld het katholieke doveninstituut in St. Michielsgestel te financieren, om het instituut in Groningen geen concurrentie aan te doen. 'Nou, dan betalen we het wel uit ons eigen fonds', zeiden de Brabantse katholieken. Het huis in St. Michielsgestel is met kwartjes tot stand gekomen.”

Het zou echter te ver gaan te beweren dat Brabant en katholicisme synoniem zijn. Dat is juist een van de mythes waarmee Geschiedenis van Noord-Brabant wil afrekenen. In het Land van Heusden en Altena en de Westhoek huizen protestanten, onder wie veel rijke boeren. “Brabantse katholieken zijn blijmoediger, volgzamer, hebben een groot saamhorigheidsgevoel, de protestaten in de provincie zijn kritischer, ernstiger en individualistischer”, staat vermeld in het boekwerk. “Dat die protestanten kritischer zijn, is heel goed verklaarbaar”, vindt Van den Eerenbeemt. “Al in het begin van de vorige eeuw leerden ze hun kinderen op jonge leeftijd lezen, om de bijbel te begrijpen. En van lezen word je kritisch, zo simpel ligt het. Een katholiek hoefde niet te lezen, die luisterde wel naar wat de pastoor vertelde.”

Wielrennen

Van den Eerenbeemt omschrijft Geschiedenis van Noord-Brabant als een macro-werk. Hij zegt dat de samenstellers daarvoor bewust hebben gekozen. Er is geen plaats ingeruimd voor anekdotes. Wie gedetailleerd de smakelijke smokkelverhalen van de bewoners van 't Heike bij St. Willebrord wil lezen, komt in deze studie niet aan zijn trekken. De schrijvers typeren een aantal verschijnselen, maar ze slaan de namen van enkele bekende Brabanders over. Zo komt de geruchtmakende moord op het meisje Marietje Kessels, een eeuw geleden in een kerk in Tilburg, niet in het boekwerk voor. De studie geeft aandacht aan bijgeloof en kwakzalverij in het algemeen, niet echter aan de wonderlijke avonturen van de beruchte en beroemde kruidendokter Willem van de Moosdijk in de jaren zestig. Ook wordt niet ingegaan op de vraag wie de kleurrijke wielerhelden als Wim van Est en Wout Wagtmans nu eigenlijk waren.

“We hebben ons verre gehouden van verbijzondering”, zegt Van den Eeerenbeemt, “of het nu de onderlaag, de middenlaag of de bovenlaag van de bevolking betreft.” Als kenner van het gebied had hij, bijvoorbeeld, best uitleg kunnen geven over de vraag waarom Brabant een wielerprovincie is. “Op bepaalde plaatsen was die sport een gat in de markt voor mensen, die aangewezen waren op additionele inkomsten. Als je de zoon was van een rijke boer, hoefde je in de jaren vijftig niet te gaan wielrennen. Had je arme ouders, dan trok die sport, zeker op het moment dat het beroepsrennen opkwam. De zonen van de arme-lui konden er wat extra's mee verdienen en dat geld hadden ze hard nodig.”

'Houdoe' - tot ziens, is zeker op het platteland een van de meest gebruikte Brabantse woorden. Het komt in de Geschiedenis van Noord-Brabant niet voor. Voor de dialecten was geen plaats. “Hoedoe komt van hou-je-goe”, vermoedt Van den Eerenbeemt. “Het wordt niet tegen iedereen geroepen. Je zegt het alleen tegen iemand van wie je vindt dat hij bij jouw wereld hoort. Zo van: als je in nood bent, kun je een altijd een beroep op mij doen. En omgekeerd. Het geeft een soort collectiviteit aan, een saamhorigheid. Die hoort bij het katholicisme, bij Brabant.”

*) Deel 2 van 'Geschiedenis van Noord-Brabant' ('1890-1945. Emancipatie en industrialisatie') verschijnt in oktober. Deel 3 ('1945-1966. Dynamiek en expansie') verschijnt in mei 1997. Bij intekening kosten de drie delen samen ƒ 180.-