Het verlies van een kind

KAREL ROSKAM & CAROLINE BARNEVELD-ROSKAM: M'n dochter, m'n zusje!

200 blz., Kok Lyra 1995, ƒ 29,90

SAMUEL DE LANGE: Kort Avontuur met Daan

128 blz., Tuindorp Haarlem 1995, ƒ 19,90

'Al wat is, moet wezen', zo vatte Multatuli ooit, in een van zijn Ideën, de betrekkelijke zinloosheid van het leven samen. Hoe de mens ook redeneert en welke voorzienigheid hij ook mag aanroepen, hij staat machteloos tegenover wat je het noodlot of het toeval kunt noemen. Daarom ook, betoogde Multatuli in een ander Idee, zul je nooit in een rouwadvertentie deze frase aantreffen: 'Ons kindje stierf, maar we laten 't er niet by'.

Hij koos dit voorbeeld natuurlijk niet willekeurig. Het overlijden van een kind doet misschien wel de grootste aanslag op het berustingsvermogen van de mens. De meeste ouders zullen tandenknarsend aan het graf staan. Want er is geen enkele reden te verzinnen waarom juist hen deze verschrikkelijke ramp moest treffen.

Volgens een ongeschreven biologische regel hoort een kind langer te leven dan zijn ouders, al was het maar om hun het idee te geven dat ze niet helemaal voor niets hebben geleefd. Een getroffen vader formuleert zijn verbijstering aldus: “Sterven doen andere mensen: je grootouders, je ouders, de ooms en tantes in je familie. (...) Sterven doen natuurlijk ook dagelijks de mensen in het buitenland: Vietnamezen ooit, Zuidafrikanen en ex-Joegoslaven nu. (...) Maar het is nooit je eigen kind dat sterft. Nooit je dochter. En nooit plotseling, onaangekondigd.”

De vader die hier spreekt, is Karel Roskam, de vroegere buitenland-commentator van de VARA, wiens 24-jarige dochter Marjolein in 1993 verongelukte. In M'n dochter, m'n zusje!, een boek dat hij samen met zijn oudste dochter Caroline schreef, legt hij er de nadruk op wel erg bedroefd te zijn, maar niet boos. Zelfs niet op de gemeente Huizen, die na een eerder verkeersongeluk verzuimde het verkeerszuiltje overeind te laten zetten, waar Marjolein die ene bewuste nacht met haar brommer tegenaan reed. Een 'Stom Ongeluk' noemt hij het. Maar erin berusten kan hij niet zonder meer, anders had hij er geen boek over hoeven schrijven.

Een goed boek is het intussen niet. Het heeft een begin, een aanleiding, maar het gaat nergens naar toe. Het leed, hoe herkenbaar het ook zal zijn voor andere nabestaanden, heeft geen vorm gekregen, om zo te zeggen. Zowel bij vader als dochter waren de gevoelens van rouw te vers om er meer mee te kunnen doen dan ze, in volgorde van opkomst, te noteren. “Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Waarom? Waarom jij?” vraagt Caroline Roskam zich steeds maar weer af. Wel hebben de brieven aan haar overleden zus, bij al het machteloze verdriet dat eruit oprijst, soms iets geestigs, zoals bij deze praktische verzuchting: “Mens, wat had jij veel kleren!”

Ingetogenheid

Vergeleken met de gevoelsuitbarsting van M'n dochter, m'n zusje! is het verhalenbundeltje dat Samuel de Lange wijdde aan zijn eveneens in het verkeer omgekomen zoon een wonder van ingetogenheid. Hij liet zijn emoties en herinneringen bezinken, voordat hij ze, vijf jaar na het ongeluk, in Kort Avontuur met Daan prijsgaf. Zijn proza heeft dan ook geen therapeutische, maar een literaire inslag. In dertig korte episodes probeert hij zijn zoon op papier te laten herleven en zo ontstond een vederlicht geschreven biografietje van een jongen die maar dertien jaar oud werd. Omdat hij bij zijn dood nog niet 'af' was, zoals De Lange het in zijn voorwoord formuleert, kan hij ook geen afgerond beeld geven van zijn prille persoonlijkheid. Toch krijgt men wel degelijk een indruk, van een ondernemende, aardige en tamelijk dappere jongen, die een bijzondere band had met zijn vader.

Een idyllisch boekje is het niet geworden, ook al door de nuchtere commentaren die elk verhaal besluiten, en juist dat maakt het geloofwaardig. Het is geschreven met liefdevolle distantie, zodat er niet alleen ruimte is voor wederzijds begrip en voor genegenheid, maar ook voor ruzie en misverstanden. Nu eens loopt het kind te mopperen, dan weer zit pappa pruilend bij de haard, maar hun omgang doet toch vooral kameraadschappelijk aan. Aardig is ook, je kunt het aan de titel al een beetje aflezen, dat Kort Avontuur met Daan een echt vaderboekje is. Hoewel Daan door zijn vader werd opgevoed en zij dagelijks met elkaar optrokken, hebben de verhaaltjes niets huiselijks. Ze gaan praktisch allemaal over vakantiebelevenissen en uitstapjes. Vader en zoon hielden van het maken van fikse, en liefst ook een beetje stoere wandelingen in natuurgebieden, waar zij hun ogen en oren de kost gaven. Op een van hun tochten, in Limburg, zagen zij bijvoorbeeld een oehoe, die volgens de vogelgids maar eenmaal eerder, in de vorige eeuw, was waargenomen in Nederland. “Wij hebben onze plicht voor de twintigste eeuw gedaan”, staat er dan droog.

De grootste kwaliteit van dit bundeltje is nog wel dat het ondanks het onvermijdelijke, droevige slotakkoord, zo gewoon is, zo opgewekt en zo geestig. Ronduit hilarisch is zelfs de toon van het verhaal 'Reiger', dat een tragisch voorval beschrijft in Artis. Vader en zoon staan te kijken bij de leeuwen als een reiger bij het dalen een berekeningsfout maakt en niet op een hoge muur landt, maar ernaast. Een leeuwin grijpt de onverwachte buit en gezamenlijk stortten ze zich op het arme dier. “In enkele tellen wordt de reiger door vier paar klauwen en kaken uiteengenomen”, schrijft De Lange discreet. “Maar”, zo luidt het onweerstaanbare vervolg, “dan blijkt ook de schraalheid van de prooi. De een zit met nek en snavel, de ander met een bloederige vleugel, en een derde met twee dunne poten. Wat teleurgesteld kauwen en knauwen de leeuwen op de losse onderdelen en draaien zich vervolgens, hun toet versierd met grijze veertjes, weer naar hun divans.” Het kan niet anders of het schrijven van Kort Avontuur met Daan moet hem ook plezier hebben gedaan.