Het echte raadsel van de affaire-Sanders

GERARD AALDERS en COEN HILBRINK: De affaire-Sanders. Spionage en intrige in herrijzend Nederland

312 blz., geïll., Sdu 1996, ƒ 39,90

“De affaire-Sanders trok reeds voor publicatie de aandacht van de nationale en internationale pers vanwege de onthulling van prins Bernhards NSDAP-lidmaatschap”, likkebaardt de flaptekst. Inderdaad, al in de herfst van vorig jaar begon het nu voortrazende mediacircus om dit boek te draaien. Dat gebeurde na de scoop van Het Parool dat het bestuur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie aarzelde zijn fiat te geven aan publikatie van het manuscript. Toestemming van het bestuur was nodig omdat één van de twee auteurs, Gerard Aalders, in dienst is van het instituut, en het de bedoeling was dat het boek onder auspiciën van Oorlogsdocumentatie zou verschijnen.

Het bestuur zou aarzelen omdat er in de tekst iets schokkends stond over de prins. Hij was van 1933 tot zijn huwelijk met prinses Juliana in 1937 lid geweest van de Duitse nazi-partij, en de regering zou na de oorlog hebben geprobeerd de naam van de prins gewist te krijgen van een lijst van in Nederland wonende nazi's.

Dat de historicus dr. L. de Jong zei niet meer heet of koud te kunnen worden van een NSDAP-lidmaatschap van iemand van wie we al jaren weten dat hij lid was van de Reiter-SS, gaf niemand te denken. Het typeert de Pavlov-reflex waarmee pers, radio en tv reageren op de magische woorden 'prins Bernhard', dat de journalistiek niet wist wat ze verder moest doen met deze nu verkregen kennis. Deugde 'PB' nu minder dan vóór de onthulling? Vergeven we hem de SS wel, maar de NSDAP niet? Uit het bestuur van Oorlogsdocumentatie kwamen geluiden die erop wezen dat er méér aan de hand was met dit manuscript. Maar de honger van de media naar historische inzichten was alweer gestild.De enigen die precies wisten waarvoor deze onthulling diende, was het schrijversduo Hilbrink en Aalders. Na alle publiciteit kon het bestuur van Oorlogsdocumentatie onmogelijk coupures of wijzigingen in de tekst verlangen zonder zich bloot te stellen aan het verwijt uit dienstbaarheid aan de Oranjes censuur te plegen. Vandaar dat wij nu kennis kunnen nemen van één van de bizarste publikaties die ooit onder de vlag van Oorlogsdocumentatie het licht hebben gezien.

Gedeeltelijk dan, want blijkens het voorblad van De affaire-Sanders strekt de zegen van het instituut zich niet uit tot de bijdrage van Coen Hilbrink. Deze historicus heeft belangstelling voor de lotgevallen van zijn geboortestreek Twente in de Tweede Wereldoorlog; daarover heeft hij al eerder gepubliceerd. In het kader van zijn onderzoek stuitte hij op de Enschedese inspecteur van politie W.E. Sanders. Deze Wim Sanders bleek nog te leven, en hij ontpopte zich als een vlotte prater, van het soort dat op verjaardagen de opmerking oogst: 'Dat moest je eigenlijk eens opschrijven.' Sanders en Hilbrink konden het uitstekend met elkaar vinden, en na verloop van tijd strekten de gesprekken zich ook uit voorbij Twentse onderwerpen.

Ongeveer een jaar was Sanders gedurende de oorlog in Enschede actief als politieman. Toen was hij het geschipper met de Duitsers zat. Hij dook onder om zich in het westen van het land als verzetsman te ontplooien. Daarnaast begon hij een verzameling dossiers aan te leggen van mensen die na de bevrijding wegens hun oorlogsverleden behoorden te worden vervolgd. Dit archief èn zijn politieverleden vormden in mei 1945 zijn entree tot het Bureau Nationale Veiligheid (BNV). Als een stofzuiger zoog de pasbenoemde directeur van deze voorloper van de BVD, mr. L. Einthoven, Sanders en talloze andere individuen en verzetsgroepjes op om er 'zijn' BNV mee te formeren. De meesten van hen hadden geen enkele professionele ervaring in het opsporingswerk, dat zich primair richtte op ondergedoken leden van het Duitse politie- en inlichtingen-apparaat en hun Hollandse handlangers. Sanders had die ervaring wèl, en daarom werd hij door Einthoven benoemd tot hoofd van de belangrijke afdeling Opsporing.

Het BNV oogstte al snel de reputatie slechts een vergaarbak te zijn van gewichtigdoeners, profiteurs en losgeslagen randfiguren. Menigmaal bleek een gezochte delinquent zèlf in dienst van het BNV te zijn. 'Goede' personeelsleden verdienden een eerlijke zakcent bij door dossiers te verkopen aan journalisten en chanteurs, die er druk gebruik van maakten, getuige de stroom van 'affaires' in de naoorlogse pers. 'Bureau Nationale Vuiligheid', heette het in de volksmond.

Met dit gezelschap viel, kortom, niet te werken. Na een jaar hoefde Sanders dat ook niet meer, want inmiddels had hij hevige ruzie gekregen met zijn chef Einthoven. Het conflict vond zijn bekroning in september 1946, toen Sanders wegens diefstal van dossiers werd gearresteerd in de werkkamer van minister-president dr. L.J.M. Beel. Na een paar uur was hij weer op vrije voeten en tot een vervolging kwam het niet, maar hij hoefde niet op een betrekking te rekenen bij de Centrale Veiligheids Dienst (CVD), die in de plaats was gekomen van het inmiddels opgeheven BNV.

Over de ruzie en de intriges in de top van het BNV werd druk geschreven in de kranten, want Einthoven noch Sanders was 'zomaar iemand'. De directeur van de inlichtingendienst, voormalig hoofdcommissaris van politie in Rotterdam, was aan het begin van de oorlog één van de drie voormannen geweest van de Nederlandsche Unie. Zoals bekend was dat een massabeweging, bedoeld om het Nederlandse volk binnen de grenzen van het Duitse bezettingsbewind een bepaalde mate van eigenstandigheid te bezorgen. In de voormalige illegaliteit waren velen ervan overtuigd dat het 'driemanschap' van de Unie te ver was gegaan in zijn aanpassing aan de eisen van de bezetter. Oud-verzetsman Koos Vorrink, tevens een van de voormannen van de Nederlandse sociaal-democratie, was één van hen. Vorrink was na de oorlog bevriend geraakt met Wim Sanders, die net als hij van sociaal-democratischen huize was. Het behoeft geen betoog dat Einthoven zijn ondergeschikte Sanders deze vriendschap niet in dank afnam. Daardoor had de ruzie tussen Einthoven en Sanders in de pers de symboolfunctie gekregen van een titanenstrijd tussen rechts en links, herstel tegen vernieuwing. Destijds was de kwestie een cause célèbre.

Einthoven won. Hij bleef directeur van de CVD/BVD tot zijn pensionering in 1961. Zijn oude dag werd echter vergald doordat historicus De Jong in zijn standaardwerk Het Koninkrijk der Nederland in de Tweede Wereldoorlog de Nederlandsche Unie uiterst kritisch beoordeelde. Verbitterd stierf Einthoven na vergeefs te hebben geprobeerd te verhinderen dat De Jongs strenge vonnis over hem en de andere leiders van de Unie, prof.dr. J.E. de Quay en mr. J. Linthorst Homan, in druk verscheen.

Met Sanders liep het beter af. Hij werd zelfstandig detective en bedrijfsadviseur, en hij bleef dat met veel succes tot kort voor zijn dood in april 1995. Bovendien smaakte hij het genoegen nog te mogen beleven hoe hij werd opgewaardeerd tot een historische sleutelfiguur. Om hem, Sanders, de eer te geven die hem toekwam, had Hilbrink zijn krachten gebundeld met die van collega-historicus Aalders. Deze zocht de oud-politieman op om materiaal te verzamelen voor een biografie van de beroepsintrigante Leonie Brandt-Pütz, wier pad dat van Sanders en Einthoven had gekruist. Zo ontstond het plan samen een boek te schrijven over de 'affaire-Sanders', die eigenlijk de 'affaire-Einthoven-Sanders' zou moeten heten. Maar Einthoven was nu eenmaal dood terwijl Sanders op zijn praatstoel zat. Het was ook erg verleidelijk dit onderwerp te benaderen uit de gezichtshoek van Sanders, de rechtschapen Twentse diender die was verdwaald in het palazzo van Machiavelli. Streekgeschiedenis en de Grote Wereld raakten elkaar; Bartje ontmoet Dr. Zjivago.

Heiligverklaring

Het duo besloot de gesprekken met Sanders als fundament voor een boek te nemen. Zijn herinneringen werden vervolgens waar mogelijk getoetst aan of aangevuld met archiefmateriaal. Aan onderzoeksijver heeft het Aalders en Hilbrink niet ontbroken, en op het oog is dit een integere werkwijze. Voor het resultaat geldt dat echter niet. Zols dr. H. Wiedijk in 1992 al bewees in zijn studie met/over/van PvdA-coryfee Wim Thomassen, leidt dit procédé onvermijdelijk tot een hagiografie, warm ingepakt in schijnbaar 'objectieve' feiten en vermomd als 'serieuze' biografie.

In De affaire-Sanders wordt dit bezwaar allereerst merkbaar in de heiligverklaring van de hoofdpersoon. Uit een zee van verdorvenheid rijst hij op als een baken van integriteit. Wanneer Hilbrink in het door hem geschreven deel van het boek suggereert dat Sanders was betrokken bij de liquidatie van vermoedelijke verraders in oorlogstijd, voegt hij er braaf aan toe dat dit natuurlijk alleen gebeurde als het 'echt niet anders kon'. Gelukkig maar.Telkens opnieuw wordt de aandacht gevestigd op Sanders' milde onthechting. Wanneer zijn ondergeschikten fouten maakten, was het: 'Jongens, dat moet niet meer voorkomen', dan wel dat hij hun 'deze schande (van ontslag) niet wilde aandoen'. De auteurs worden niet moe te wijzen op Sanders' gewoonte mensen die door hem werden ondervraagd, bij hem thuis te onthalen op een 'boterham-met-kaas'. Tot vervelens toe krijgt het publiek de verzekering dat Sanders 'niet rancuneus' was, dit uiteraard geheel in tegenstelling tot zijn tegenspeler Einthoven.

Het is biografen niet verboden hun onderwerp af en toe te prijzen. Toch zal hier de lezer het gevoel bekruipen dat de vele gesprekken van de auteurs 'chez Wim' net iets te gezellig zijn geweest om de objectiviteit te bevorderen. Hilbrink is zelfs dermate in de ban geraakt van Sanders' spreekstijl dat hij talloze voorvallen weergeeft in de dialoogvorm waarin de gewezen inspecteur ze op de sofa ten beste heeft gegeven. Dat levert vooroorlogs jeugdboekenproza op, want spreken is niet hetzelfde als schrijven. Een voorbeeld. 'Wie heeft u dat verteld?' vraagt Van Loon. 'Dat hebt u zelf verteld,' zegt Sanders. 'Het volgt logisch uit uw verhaal.' 'Meneer, ik heb alles verraden. Wat doet u met een verrader?' 'Dat begrijpt een verrader zelf. Je mag nu je eigen verklaring dicteren.'

Hilbrinks bijdrage, over leven en loopbaan van Wim Sanders, van diens geboorte tot aan het einde van de oorlog, is trouwens helemaal nogal amateuristisch. Telkens verwijst hij in het lopende verhaal vooruit naar mensen en gebeurtenissen die de lezer op dat moment nog niets zeggen. Op de eerste bladzijden is het al mis. Daar geeft hij, geheel in kreupel-tweespraak, het incident in de kamer van Beel weer, waarvan de gemiddelde lezer op dat moment nog niets begrijpt, omdat de verklaring pas honderdvijftig bladzijden later volgt. Hilbrink is slordig met namen, haalt echte namen en pseudoniemen uit het verzet door elkaar. De verrader 'Van Loon' werkt eerst bij 'een advocatenkantoor'; verderop is plompverloren sprake van 'Du Pont'. Niemand zal begrijpen dat met die naam de Amsterdamse advocaat mr. J.H. de Pont wordt bedoeld.

Chaotisch

Het door Gerard Aalders geschreven deel van het boek mist de houtenklazenstijl van Hilbrink, maar dat is ook het enige voordeel. Het is uitermate chaotisch van opzet. Terug- en toekomstverwijzingen schieten als vuurwerk alle kanten op. Namen buitelen over elkaar heen, en net als bij Hilbrink regent het slordigheden. Tussen Sicherheitspolizei en Sicherheitsdienst wordt geen verschil gemaakt. Een rapporteur over de affaire-Sanders, J.W. Mathijsen, wordt door Aalders herhaald aangeduid als een journalist van Het Parool, wat hij niet was. Ineens staat er in de tekst, 'Uit het al eerder aangehaalde interview dat Frans Dekkers Verloop afnam', maar er zijn geen interview en geen Dekkers te bekennen. Deze en andere fouten zijn irritant, maar ze vallen in het niet bij het tweede hoofdbezwaar tegen de schijnbiografische aanpak van Hilbrink en Aalders. Wanneer eindelijk de kern, de controverse tussen Einthoven en Sanders, aan bod komt, verandert het betoog in een civiel proces, waarvoor de regels nog door Jozef Stalin zijn bedacht. Urenlang mogen de pleiters voor de Sanderspartij aan het woord blijven; voor de partij-Einthoven is niemand zelfs maar ter zitting toegelaten. Sanders en zijn voorgeslacht worden uitgebreid tegen het licht gehouden. Einthoven daarentegen blijft een man zonder eigenschappen, gevoelens en drijfveren, behalve slechte. Hij is niet meer dan de verpersoonlijking van Het Boze. Aalders ziet in hem een man die zijn functie als BNV-chef misbruikte voor het wegmoffelen van vooroorlogse skeletten in zijn kast. Hij zou verborgen hebben willen houden dat hij vóór 1940 veelvuldig contact had met de Duitse contraspionage, de Abwehr, en de Gestapo in Hamburg. Hij zou een Duitser die voor de Engelse geheime dienst werkte, aan de nazi's hebben verraden. Hij zou Nederlandse militairen die in de meidagen van 1940 Duitse krijgsgevangenen hadden geëxecuteerd, hebben laten opsporen en aan de Duitsers hebben uitgeleverd.

De bewijzen voor deze wandaden zijn, aldus Aalders, 'niet keihard' , en de bronnen zijn 'hoofdzakelijk te vinden in de hoek van de medestanders van Sanders'. Wat moet de lezer dan daarmee? Hoe zijn deze verhalen te rijmen met het rotsvast gedocumenteerde feit dat Einthoven dermate vaderlands was ingesteld dat hij vóór de meidagen van 1940 geld inzamelde voor een particuliere actie om luchtdoelgeschut te kopen? In zijn recent verschenen Geschiedenis van de BVD rept historicus Dick Engelen van Einthovens geheime activiteiten in Duitsland voor de Nederlandse inlichtingendienst GS III. Aalders heeft tijd genoeg gehad om van dit boek kennis te nemen, maar hij negeert het. Zoals hij ook negeert dat Engelen schrijft over de uitgeleverde Nederlandse militairen, maar wèl met de aantekening dat Einthoven tevoren met de Duitsers over hun behandeling afspraken had gemaakt, en dat die afspraken door de Duitsers zijn geschonden.

Vorrink

Zo zit het boek vol met subtiele en minder subtiele insinuaties, bedoeld om Einthoven heel geleidelijk te demoniseren. Subtiel is bijvoorbeeld dat Sanders zich altijd iets 'herinnert' of 'meent te herinneren' over zijn tegenstanders. Wanneer echter een tegenstander van Sanders, zoals de leider van de Orde Dienst, jhr. P.J. Six, zich iets onaangenaams over Aalders' held herinnert, 'beweert' hij zich dat te herinneren. Wanneer Sanders wordt benoemd als hoofd Opsporing van het BNV, is dat om zijn kwaliteiten als beroepspolitieman. Wanneer daarentegen de beroepspolitieman Einthoven tot chef van het BNV wordt benoemd, is het 'een bewuste zet in het vrijwel direct na de oorlog begonnen schaakspel om politiek gevoelige posten'. Aalders oppert dat Einthovens mede-Unieleider Jan de Quay, op dat moment minister van Oorlog, achter de benoeming van Einthoven zat. Maar De Quay had toch aanvankelijk iemand anders benoemd, iemand van wie zelfs de heilige Sanders vond dat hij niet capabel was? Geen nood, Einthoven 'was even aan De Quays aandacht ontsnapt'.

Uit het bovenstaande moet niet de conclusie worden getrokken dat Einthoven eigenlijk heilig was, en Sanders een schurk. De enige conclusie moet zijn dat de benadering van deze twee auteurs de werkelijke achtergronden van de controverse tussen Sanders en Einthoven niet verheldert. Uit andere bronnen (De Jong, Engelen, het rapport dat de commissie-Wijnveld in 1947 maakte over de troebelen bij het BNV) rijst het beeld op van een autoritaire, opvliegende, emotionele man, wie beter niet de leiding van delicaat inlichtingenwerk had kunnen worden toevertrouwd. Dat is echter niet dezelfde als de crypto-nazi die Aalders van hem maakt.

De opbloeiende vriendschap tussen Vorrink en Sanders in het najaar van 1945 viel samen met een linkse campagne, aangevoerd door onder anderen Vorrink en Het Parool, voor een kritisch onderzoek naar de gedragingen van het driemanschap van de Nederlandsche Unie. Onder deze publieke druk stelde het kabinet-Schermerhorn een commissie van onderzoek in. Juist Einthoven, van de drie Unie-leiders de meest uitgesproken anti-Duitse (!), zal dit als een grievend onrecht hebben ervaren. Ongeveer in diezelfde tijd kwamen allerlei gevangen zittende Duitsers, die meenden hun hachje te kunnen redden als ze vooraanstaande Nederlanders bekladden, met het verhaal dat Vorrink zich in Duitse gevangenschap had laten klaarstomen om het leiderschap van Nederland op zich te nemen. De processen-verbaal van deze verklaringen zagen er op het eerste gezicht imposant en overtuigend uit; iedereen die ze ooit heeft gezien, kan dat beamen. Geen wonder dat Einthoven volgens Sanders heeft uitgeroepen: 'Ik zal Wim (Schermerhorn) weleens laten zien wat voor fijne vrinden hij heeft!'

Einthoven was niet de brille van Sanders gegeven, die natuurlijk onmiddellijk begreep dat die Duitsers maar wat kletsten over zijn vriend Vorrink. Evenmin doorzag Einthoven de voor Sanders belastende verhalen over diens samenwerking met de Russen en met de Duitsers, verhalen waarmee de louche ex-BNV 'agente' Leonie Brandt kwam aanzetten. Als verzachtende omstandigheid mag echter gelden dat deze professionele chanteur volgens Aalders dermate uitgekookt en charmant de integere ondervrager acteerde, dat aanvankelijk zelfs Sanders met haar in zee ging. Toen hij haar tenslotte toch de dienst had uitgegooid, nam ze wraak door hem te belasteren.

Zelfs Aalders kan er uiteindelijk niet onderuit dat op één punt Sanders inderdaad niet brandschoon was. Buiten kijf staat dat hij, zonder Einthoven erin te kennen, een berg dossiers heeft gekopieerd. Dat Einthoven, toen hij daar achter kwam, concludeerde dat ook Sanders hoorde bij 'dat zootje' dat handelde in dossiers, mag hem niet euvel worden geduid. In dat licht bezien, is die arrestatie in Beels kantoor ook niet zo vreemd. Aalders vindt echter wel ten gunste van Sanders spreken dat deze de kopieën niet ten eigen bate had gemaakt, maar als schaduw-archief voor het ministerie van justitie. In het geheim smeedde Sanders namelijk het plan met goedkeuring van enkele topambtenaren van dat departement een eigen inlichtingendienst op te zetten, die onder Justitie zou ressorteren (de dienst van Einthoven zou onder Binnenlandse Zaken komen te vallen).

Even verderop evenwel vermeldt Aalders doodleuk dat Sanders naast de kopieën voor Justitie ook nog een set microfilms 'voor zichzelf' had laten maken. Geruststellend voegt hij eraan toe dat het gebruik daarvan voor chantagedoeleinden 'niet in (Sanders') karakterstructuur paste'.

Prins Bernhard

Door een groot deel van het verhaal ten slotte spookt prins Bernhard. 'Spookt', want hoewel zijn naam telkens valt, blijft onduidelijk waarom hij wordt genoemd. De onthulling over Bernhards nazi-partijkaart is er met de haren bijgesleept, want Sanders had met deze zaak in het geheel niets te maken. Omdat Aalders die informatie nu eenmaal had, en er kennelijk opzien mee wilde baren, heeft hij het in het boek gezet. Het trekken van aandacht is hem meer dan gelukt, maar dat is aan De affaire-Sanders ook het enige dat geslaagd mag heten, en dan nog alleen voor Hilbrink en Aalders.

Overigens, het wordt eentonig, heeft Aalders ook voor het NSDAP-lidmaatschap geen 'harde bewijzen', zoals hij zelf toegeeft. Om zijn gesol met Bernhard een schijn van legitimiteit te geven, heeft hij een fantastische constructie opgezet. Die komt erop neer dat 'men' destijds had kunnen denken dat Bernhard schuld heeft aan het England-Spiel, en dat zijn eventuele aandeel daarin ten koste van alles moest worden weggemoffeld. Het England-Spiel is de Duitse naam voor het nog altijd onopgeloste raadsel hoe tientallen boven Nederland 'gedropte' agenten met hun radiozender in handen van de Duitsers konden vallen. Wederom zijn er geen harde bewijzen. 'Men' zou hebben kunnen denken dat Bernhard te loslippig was geweest over zijn kennis van de 'dropping'-operaties. Wist hij daarvan af? Ja, zegt Aalders, want hij had allerlei contacten met Nederlandse geheime diensten. Maar de 'droppings' waren vrijwel exclusief een zaak van de Britten.

Bernhard had echter ook 'te maken met de Londense inlichtingendiensten', schrijft Aalders op blz. 119. Op blz. 124 staat echter dat de Geallieerde inlichtingendiensten Bernhard meden omdat ze hem niet vertrouwden. Hij was immers een Duitser. Ook wat de controverse tussen Einthoven en Sanders met Bernhard en het England-Spiel te maken zou hebben, is dermate verward en tegenstrijdig opgeschreven dat verdere ontrafeling geen zin heeft.

Het is begrijpelijk dat het bestuur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie Hilbrinks bijdrage aan dit boek in wetenschappelijk opzicht niet voor zijn rekening wil nemen. Waarom het dat met Aalders' bijdrage wèl heeft gedaan, is het echte raadsel van De affaire-Sanders.