Handen af van het Monument op de Dam

Tien jaar geleden vestigde het Amsterdams Historisch Museum met een leuke tentoonstelling de aandacht op de geschiedenis van het Nationaal Monument op de Dam. Samensteller Dedalo Carasso schreef in een begeleidend artikel dat hij “binnen afzienbare tijd ernstige problemen” voorzag ten aanzien van het behoud van het monument, waarmee hij doelde op toen al zichtbare scheuren in het poreuze materiaal (Italiaanse travertijn). Inmiddels kan een restauratie niet veel langer worden uitgesteld, tenminste, wanneer daaraan nog behoefte is.

Voor sommige prominente Amsterdammers biedt het darkest hour van het monument een geschikte aanleiding voor het openen van de aanval; zo gaat het vaker in de natuur. Na een voorzetje van Rudi Fuchs komt nu Jan Dibbets met een rijtje argumenten (27 februari) waarom het monument op de Dam aan aanpassing toe is en hij levert er “belangeloos” een ideetje bij.

Dibbets komt daarbij op voor “normale mensen”, die dit “vast” geen prachtig monument vinden, want “er kunnen grappen over gemaakt worden”. Het gaat allemaal om “die pik”, die “hopeloos” is en - pik of niet - ook nog eens uit “een a-freudiaanse periode” stamt. “Al 25 jaar denk ik als ik er langs loop: pik eraf, beeld erop, muurtje weg en klaar is kees.”

Nu kun je gewoonlijk, wanneer je zo'n verzameling platheden leest, nog je best doen om je in te leven in de omstandigheden van een interview en bereid zijn om te denken dat iemand verkeerd of tendentieus geciteerd is. In dit geval echter wordt een plaatje bijgeleverd dat alle hoop op redding de bodem in slaat. Dibbets méént blijkbaar wat hij zegt. Op dat plaatje zien we inderdaad de briljante drieëenheid van “pik eraf, beeld erop, muurtje weg”, die er voor zorgt dat kees Dibbets “klaar” is.

Op zichzelf lijkt het me nauwelijks nuttig om de ingebrachte argumenten diep te analyseren, hoezeer ze ook de stem des volks zouden vertolken. Wel is het, voordat het vrolijke gekwetter langs de zijlijn van burgers als Fuchs en Dibbets bijval gaat vinden van andere aanzienlijke personen, misschien goed om een eenvoudige vraag op te werpen. Is het monument op de Dam inderdaad gebaseerd op een minder geslaagd idee van architect J.J.P. Oud, zoals hier en daar blijkbaar wordt aangenomen, en kan daarom zonder problemen bijvoorbeeld de urnenwand achter de pyloon worden verwijderd, om het monument eindelijk te laten “ademen”? Nee, dat is niet het geval. De ruimtelijke dispositie van het monument heeft van ademnood geen last en is eerder een wonder van nuances.

Die nuances hebben betrekking op de kern van de opgave: de verweving van stedelijke sferen (levendig verkeer, levendige winkels, contemplatief monument), de verweving van architectuur en sculptuur. Wat de stad betreft zocht Oud het in de geleidelijkheid van overgangen tussen zones, zonder zwaar aangezette afscheidingen. De urnenwand is daarbij onmisbaar: hij geeft het monument rugdekking, als een soort binnenpleinwand, maar hij doet dat zonder de stad volstrekt weg te nemen. Met de pyloon wordt het territorium van het monument van enige afstand aangegeven: dat is vanouds, ik zeg het er voor de veiligheid maar even bij, de functie van torens, naalden en wat dies meer zij. Ook biedt de pyloon, zacht maar duidelijk, een bruikbare achtergrond om de betrekkelijk woeste beelden te kunnen plaatsen van John Rädecker, die “grote, leeuwachtige jongen” zoals Oud hem placht te omschrijven.

Toen in 1951 besloten moest worden over het ontwerp van Oud en Rädecker, zwichtte de ministerraad voor de redenering “dat thans genoegen moet worden genomen met dit ontwerp, dat blijkbaar datgene is, wat Nederland op dit gebied in het huidige tijdsgewricht kan opbrengen. Latere geslachten zullen wellicht eerst in staat zijn het peil daarvan op zijn wezenlijke waarde te bepalen”. Het lijkt me sterk de vraag of die latere geslachten daartoe werkelijk in staat zijn, vermoedelijk niet, maar belangrijker is dat dit eindoordeel van de betrokken minister niet bijster enthousiast klinkt. De vreugde was kennelijk niet onverdeeld en dat was ook in artistieke kringen het geval, waar men zich bijvoorbeeld afvroeg of Oud in zijn ontwerp niet te veel rekening had gehouden met Rädecker.

Had Oud dat? Het wezenlijke punt is dat dat er absoluut niet meer toe doet. Willem Sandberg, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum, ging, nadat hij positief over het ontwerp had geadviseerd, tijdenlang gebukt onder een zeker schuldgevoel, omdat ook hij al niet zeker was van de juistheid van zijn oordeel. Dat schuldgevoel verdween toen het monument in de jaren zestig tot een wereldberoemde pleisterplaats voor jongeren werd. Op dat moment steeg het monument boven zichzelf uit, werd het een onvervreemdbaar deel van het collectieve geheugen èn werd het onvatbaar voor het eeuwige dilemma van goed of slecht.

Daarom bedanken we de heren Dibbets en Fuchs voor hun geestige bijdrage aan het publieke debat en zetten ons vervolgens aan een gewichtige, maar volkomen vanzelfsprekende opgave: de restauratie van het monument op de Dam, en wel in zijn geheel, te weten inclusief pyloon, inclusief urnenwand, inclusief “zeeslangenproza” en inclusief “ellendegroep”.