Gebrek aan zelfreiniging socialisten maakt Spanje rijp voor Aznar

MADRID, 2 MAART. Aan de vooravond van de verkiezingen, morgen, heeft Spanje het televisiedebat tussen de belangrijkste twee tegenstanders moeten missen. Premier Felipe González en de conservatieve oppositieleider José María Aznar konden het niet eens worden over de voorwaarden van een duel.

Voor de Spaanse versie van het satirische poppenprogramma Spitting Image was dat geen probleem. “Ik zou graag dat de burgers zich eens voorstellen wat er gebeurt als meneer Aznar straks op een top komt met alle wereldleiders”, zei de pop González gisteren op Canal+, terwijl hij het snorretje opplakte dat het handelsmerk van zijn opponent is. “Hallo, ik ben Josemarie. Ik kom voor de top. Nee maar, meneer Kohl, leuk u te ontmoeten. Mag ik een handtekening van u?”

Zulke grappen maakt González in het echt niet. Maar Aznar had wel alle reden om bang te zijn voor de premier, die een charmeur is, een politieke slangenbezweerder en een gehaaid debater. Daarom eiste Aznars Partido Popular dat de communistische oppositieleider Julio Anguita als derde bij het debat aanwezig zou zijn, een eis die voor de socialisten nooit acceptabel zou zijn.

Dus ging het debat niet door. In plaats daarvan werden twee afzonderlijke interviews met de lijsttrekkers uitgezonden. De premier (53) was in topvorm - als González ten onder gaat, dan is het strijdend, was zijn boodschap. Aznar (43) is - met het zicht op de voorspelde overwinning van morgen - de afgelopen weken steeds verder gegroeid in zijn rol als toekomstig regeringsleider, maar het slotoptreden van de voormalige belastingontvanger miste González' souplesse.

De premier verweet dat achter de liberale façade van de PP een intolerante partij schuilt die een harde confrontatiepolitiek zal voeren tegenover autonome regio's als Baskenland en Catalonië. Aan de ander kant trok González op de valreep het boetekleed aan voor de reeks van schandalen die zijn minderheidsregering de afgelopen drie jaar heeft geteisterd. “We hebben fouten begaan, de corruptiezaken zijn evident”, aldus González, “En daar betalen we nu een hoge prijs voor.”

Aznars had het vooral over “betrouwbaarheid, zekerheid, rust, eerlijkheid en openheid”. “We hebben een verandering van regering nodig om onze democratie te normaliseren”, meende de oppositieleider, die voor de derde keer tegen González in het krijt treedt sinds hij in 1989 het lijsttrekkerschap van de Partido Popular overnam. De laatste opiniepeilingen geven aan dat hij gaat winnen, mogelijk zelfs met een absolute meerderheid. Na bijna veertien jaar González, waarin het zelfreinigend vermogen en de veerkracht van de socialistische partij steeds verder is afgenomen, lijkt Spanje toe aan een verandering.

Na de zeperd van 1993 heeft de PP nu niets aan het toeval willen overlaten. De afgelopen weken is zorgvuldig gewerkt aan het imago van een bijna-liberale middenpartij, geleid door een man die wiens gebrek aan uitstraling juist als verdienste werd gepresenteerd: hij is als het ware de verpersoonlijking van de betrouwbaarheid en discipline die de PP zegt voor te staan.

Ongemakkelijke slippertjes van een PP-factie die nog altijd nostalgisch terugkijkt naar het Franco-tijdperk bleven ditmaal tot een minimum beperkt. De PP-burgemeester van het stadje Albacete noemde deze week de Internationale Brigades die in de Burgeroorlog tegen Franco streden uit voor “een moordenaarsbende” en “onvervalste slagers”. En de popster Rafael - die deze week evenals de uit Miami overgekomen zanger Julio Iglesias een oproep deed voor Aznar te stemmen - zei te hopen dat Franco ooit nog eens “op zijn juiste waarde” geschat zal worden.

De socialisten legden de afgelopen weken vooral de nadruk op de modernisering, de economische vooruitgang en de welvaartstaat die onder González tot stand is gekomen. Gegarandeerde ouderdomspensioenen, publieke gezondheidszorg en onderwijs zijn enkele van de verworvenheden die de PP volgens González zal ontmantelen. Maar zij moeten hun onmacht erkennen om de hoogste werkloosheid van Europa - 22 procent - aan te pakken. Vooral de jongste generatie kiezers - die alleen regeringen onder González heeft gekend - lijkt zich nu daarom massaal van hem te zullen afwenden.

Volgens de ideeën van de oppositie moet de sterk consumptief gerichte Spaanse economie uit het moeras getrokken worden door middel van een rigoureuze belastingverlaging. Aznar ging de laatste week van de campagne zelfs zo ver een vereenvoudiging van het tarief voor te stellen waarbij de hoogste schijf slechts veertig procent bedraagt. Daarnaast bezweert de PP het huidige stelsel van pensioenen en uitkeringen niet fundamenteel te willen wijzigen, en toch de staatsschuld en het overheidstekort tijdig terug te brengen om te kunnen voldoen aan de criteria voor toetreding tot de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU). Volgens Aznar ligt de crux van zijn beleid in een strenge aanpak van belastingfraude en drastische bezuinigingen in het overheidsapparaat.

Inmiddels bereiden de socialisten zich geestelijk voor op een nederlaag. González heeft een hekel aan journalisten en kiezersonderzoek en verklaarde deze week strijdvaardig “de enquêtes” te willen verslaan. Maar anderzijds heeft de premier inmiddels gezegd zijn verlies te zullen accepteren.

Onduidelijk is welke regering Spanje na morgen zal krijgen. Het is de vraag of de PP een absolute meerderheid zal halen. Zo nee, dan moet zij - evenals de socialisten in de afgelopen regeerperiode - een beroep doen op de Catalaanse nationalistische partij CiU van de Catalaanse regio-president Jordi Pujol.

Hoewel beide partijen een conservatief stempel dragen is er een kwestie die hen absoluut verdeeld houdt: de strijd rond de autonomie van Spanjes regio's. De PP heeft de afgelopen weken danig rondgestampt in de porseleinkast van het lokale nationalisme in Catalonië en Baskenland. De lokale autonomie heeft langzamerhand wel zijn maximum bereikt, vinden veel PP-kiezers. CiU-lijsttrekker Joaquím Molíns heeft Aznar inmiddels beschuldigd van “een anti-Catalaanse campagne”. Hij zwoer niet te zullen meewerken aan een PP-regering. De Baskisch-nationalistische partij PNV, een tweede mogelijk steunpunt voor een meerderheid, noemde José María Aznar cynisch “caudillo van Spanje bij de gratie Gods”.

Velen verwijten Aznar een systematische blindheid voor de gevoelige thematiek van de regionale autonomie-bewegingen, waarmee de socialisten altijd behendig wisten om te gaan. Met name Baskenland vreest dat met de komst van een PP-regering de nationalistische spanningen zullen escaleren. De Baskische afscheidingsbeweging ETA wierp met een nieuwe golf van moordaanslagen zijn schaduw over de verkiezingen. Het thema van het terroristische geweld speelde dan ook een belangrijke rol in de debatten. Aznar, zelf vorig jaar ternauwernood ontsnapt aan een ETA-aanslag, heeft een harde aanpak van het probleem beloofd. “De regering van González heeft met de terroristen proberen te onderhandelen”, aldus de oppositieleider. “Dat is een grote vergissing geweest, die wij niet zullen maken.”