Fred Delfgaauws poppen zijn acteurs en tegenspelers

Voorstelling: Momenten, door Fred Delfgaauw. Regie: Fred Florusse. Gezien: 1/3 in de Stadsschouwburg, Utrecht. Herhaling aldaar vanavond. Tournee t/m 30/5.

“Dit is geen voorstelling,” merkt Fred Delfgaauw na een half uur spelen op, maar dat is natuurlijk onzin. Wat hij bedoelt, is dat Momenten anders is dan zijn vorige voorstellingen: geen nieuw, doorlopend verhaal, maar een in een luchtig soort weemoed gedompeld weerzien met scènes uit twaalfenhalf jaar spelen met poppen. Acteren met poppen is misschien beter gezegd, want de pop is voor Delfgaauw bijna altijd de tegenspeler. Hij steekt er een arm in, of alleen maar een hand, en het losse hoofd is een personage geworden dat een dialoog met hem voert. En hij laat dat hoofd weer net zo makkelijk los als de scène, of de sketch, voorbij is. Bij het creëren van illusies hoort, vindt hij, ook het weer doorbreken daarvan.

Een hele hoop van die poppen - soms nog voorzien van een stukje bovenkleding, maar zelden meer dan dat - ligt nu op een ordeloze stapel op het toneel. Fred Delfgaauw doet alsof hem ter plekke iets uit een vroegere voorstelling te binnen schiet, pakt er zo'n levenloos ding uit en transformeert het. Hij speelt de oma, de opa en de glijerige begrafenisondernemer uit zijn autobiografische De terugreis, brengt een babypop bijna griezelig echt tot leven, laat twee doktoren komisch bekvechten aan het fatale ziekbed van Mozart en pepert een vogel-achtig schepseltje in dat het niet op eigen kracht kan vliegen - om maar wat te noemen.

En omdat hij ook een eersteklas geluidenmaker is, worden al die poppen volwaardige acteurs. Soms ook is een enkel petje, vastgehouden met de hoog geheven rechterhand, al genoeg om er een geloofwaardig mannetje van te maken, in een Carmiggelt-achtige tekst over een opdringerige passant op een terras. Een paar keer speelt hij zelfs een mono- of dialoogje zonder de bijbehorende pop, omdat die dan niet eens meer nodig is.

Al die greatest hits zijn ingebed in herinneringen aan het ouderlijk huis, aan de afkeurende opmerkingen van zijn vader (“Theater? Poppen? Man, dat is toch voor meisjes!”) en aan het bestaan van de modale poppenspeler.

Af en toe zijn die verbindende praatjes naar mijn smaak te zelfvoldaan; er klinkt een toon van tevredenheid in door, die wel gerechtvaardigd is, maar daarom niet minder ijdel. Zodra hij dan echter weer een scène gaat spelen, is Fred Delfgaauw als vanouds onverbeterlijk.