Frans drugsbeleid is goedkoop populisme

Nederland moet zijn drugsbeleid aanpassen, betoogde de Franse ambassadeur in Den Haag begin deze week op deze pagina. Jan G. van der Tas, voormalig Nederlands ambassadeur in Duitsland, dient hem van repliek. De Franse benadering getuigt vooral van onderschatting van het probleem zelf.

De Franse ambassadeur in Nederland, Bernard de Montferrand, toont zich, met zijn artikel in NRC HANDELSBLAD van 26 februari onder de kop 'Nederland moet zich aanpassen', een modern diplomaat. Niet alleen het floret van de discrete diplomatieke demarche, maar ook de hakbijl van het publiekelijk in gebreke stellen van het land waar hij geaccrediteerd is, hanteert hij met verve.

Diegenen die ook anno 1996 nog van mening zouden zijn, dat een dergelijk artikel, zo kort voor het debat in de Tweede Kamer over de Drugsnota van de regering, eigenlijk een voor een ambassadeur minder passende inmenging in het interne politieke proces van het land zijner vestiging zou zijn, kunnen zich troosten. Met de gedachte namelijk, dat het artikel van Montferrand aan de Nederlandse deelnemers aan het drugsbeleid (en met name aan de politici onder hen) duidelijk kan maken waar het in dit Frans-Nederlandse 'drugsgeschil' over gaat. En dat is geenszins alleen over deze of gene benadering van verslaafdenzorg of criminaliteitsbestrijding!

In dit opzicht dus niets dan lof en men kan als Nederlander slechts hopen, dat de Nederlandse ambassadeur in Parijs met even veel verve het Nederlandse beleid in de Franse media verdedigt. Bladen als Le Monde en Libération staan zeker niet minder open voor Nederlandse inzichten over drugsbeleid, dan NRC Handelsblad voor Franse.

Als goed diplomaat begint Montferrand met het opsommen van een aantal kwesties en beleidsgebieden waar Franse en Nederlandse inzichten en belangen altijd of sinds enige tijd dicht bij elkaar hebben gelegen. Als meest pikant voorbeeld moge dienen zijn verwijzing naar het gemeenschappelijk belang van beide landen de Europese Unie “sterk, gestructureerd en dynamisch” te houden in het perspectief van een dreigende verwatering als gevolg van een nieuwe uitbreiding.

Het is goed dat Montferrand zo onderstreept, dat het tussen Nederland en Frankrijk in Europese aangelegenheden geenszins alleen maar misère of bekvechten is geweest of hoeft te zijn. Dit geldt temeer nu een nieuwe generatie Franse politici kennelijk bezig is zich te bevrijden van de ergste hang ups van het traditionele gaullisme.

Niet minder juist is Montferrands constatering, dat wanneer Nederland en Frankrijk een geschil hebben, het nooit gaat om bijzaken. En daarmee zijn we dan bij een inderdaad belangrijk geschil, over de vraag namelijk of, hoe en in welk kader het drugsbeleid van een aantal Europese landen moet en kan worden geharmoniseerd.

Ik kan in dit bestek niet ingaan op het door Montferrand onderbelichte, maar fundamentele onderscheid tussen de zogenaamde harm reduction-aspecten van drugsbeleid en de bestrijding van met drugs verbonden (internationale) criminaliteit, en al helemaal niet op de vraag of de meest effectieve wijze van bestrijding van grote en kleine drugscriminaliteit niet kan zijn gelegen in depenalisering cq. regulering van de soft- en harddrugsmarkten.

De ambassadeur beperkt zich ertoe te stellen, dat het niet in Frankrijk “één en al repressie” en in Nederland “één en al gezondheid” is. Terecht, maar wel een wat misleidend zwakke vergelijking. De waarheid is veeleer, dat in het 'liberale' Nederland actief (volgens Van Traa soms zelfs tè actief) wordt opgetreden tegen de internationale drugshandel, terwijl in landen als Frankrijk en Zweden, waar het prohibitionisme in het officiële drugsbeleid hoogtij viert, de statistieken - voor zover voor handen - op catastrofale volksgezondheidsconsequenties van het gevoerde beleid - voor zover voor handen - wijzen.

Het is de veronachtzaming van de inhoudelijke merites van het ene of het andere beleid, en van de levendige discussie, die daarover in vak- en beleidskringen in de meeste beschaafde landen wordt gevoerd, die Montferrands betoog in intellectuele zin nog het meest ontsiert. Hij schijnt inderdaad te denken dat “de situatie zoals wij die zien” eenvoudig is. Dat in Europa (welk Europa?) Nederland in de kleinst mogelijke minderheid verkeert en zich dus even moet aanpassen. Onder het motto 'meeste stemmen gelden'?

Daarmee doet hij velen tekort. In de eerste plaats ons beider oosterburen. In Duitsland wordt het drugsbeleid, anders dan de Franse ambassadeur denkt te weten, niet bedreven door een parlementaire staatssecretaris in de bondsregering, maar veeleer op het niveau van de deelstaten (Länder). En veelal vergaand in de zin van het zogenaamde Nederlandse model.

Maar ook de huidige voorzitster van de Duitse Bondsdag had indertijd als minister van gezondheid in West-Duitsland maar weinig tijd nodig om tot de conclusie te komen dat de overlast die Duitse verslaafden in Amsterdam veroorzaakten niet door Nederlandse, maar veeleer door Duitse beleidsaanpassingen moest worden ingedamd. En wat te denken van het beleid in Italië en Denemarken en Griekenland of in de Europese steden Barcelona, Zürich, Liverpool of Frankfurt am Main?

Het meest storend, en tegen eigen landgenoten onheus, komt op mij echter nog over, dat Montferrand met geen woord melding maakt van de steeds levendiger discussie in de media en in vakkundige en bestuurskringen in Frankrijk zelf. Tevergeefs zoekt men een verwijzing naar rapporten als dat uitgebracht door een commissie onder leiding van de medicus Henrion, nota bene besteld door de Franse regering zelf. Of naar de ook in Frankrijk sterk evoluerend inzichten op regionaal en lokaal niveau.

En - maar dat is wel begrijpelijk - al helemaal onvermeld blijft het feit, dat thans van hoge ambtenaren in de Franse administratie zonder moeite in vertrouwelijke gesprekken uitingen kunnen worden geregistreerd van frustratie over het populisme en de fanatieke taboe-sfeer, waarmee bij de formulering van beleid op dit gevoelige terrein, onder de huidige Franse regering door hen moet worden gewerkt.

Drugsbeleid en de daarmee verbonden politie-, justitie- en penitentiaire praktijken zijn in ieder land nauw verbonden met de nationale historie, identiteit en soevereiniteit. Zij kunnen waarschijnlijk alleen met grote omzichtigheid en op termijn worden ingepast in het proces van de Europese integratie.

Het is daarom des te verbazender, dat men juist in hoofdsteden waar woorden als 'identiteit' en 'soevereiniteit' meestal snel in de mond worden genomen, denkt het Nederlandse beleid wel even te kunnen 'gelijkschakelen' en dat nog wel in een volstrekt willekeurig inter-gouvernementeel verband. In Bonn zal inmiddels zelfs de meest verbeten voorstander van de Frans-Duitse samenwerking wel begrepen hebben dat het vorige zomer een faux pas was de bondskanselier te laten aankondigen dat hij wel even met zijn (nieuwe) Franse vriend Chirac in Den Haag langs zou komen om het gerezen geschil uit de weg te ruimen.

Onderschattingen van de Nederlandse gevoeligheid voor formules, die doen denken aan “Chez vous, sur vous, sans vous”? Zeker, maar vooral ook onderschatting van het probleem zelf en de onmogelijkheid het even op een willekeurige 'topconferentie' te regelen. Of zelfs in een klassiek interstatelijk verdrag als dat van Schengen, waarvan de onvoldoende institutionele bewerktuiging langzamerhand wel iedereen duidelijk zal zijn en niet alleen de regeringen, die om de haverklap verklaren dat ze de uitvoering ervan weer eens wegens enigerlei ongenoegen hebben opgeschort.

Het is de verdienste van bondskanselier Kohl, dat hij er herhaaldelijk voor heeft gepleit een ambitieuzere weg te gaan en te komen tot een 'communautarisering' van de zogenoemde 'dere pijler' van het Verdrag van Maastricht, het artikel waarin kwesties betreffende Justitie en Binnenlandse Zaken in een soort interstatelijke samenwerking binnen de Europese Unie worden gebracht. Ook dit functioneert namelijk niet, mede omdat het werk zich grotendeels onttrekt aan de instellingen en procedures van de Europese Gemeenschap, zoals Europees Parlement, Commissie en Europees Hof.

Het Europees Parlement heeft deze gedachte onlangs in een betrekkelijk evenwichtige resolutie, inzake de wenselijkheid van een echt Europees drugsbeleid en opgesteld onder leiding van een Britse conservatief (!), overgenomen. Constaterend dat de thans in de meeste lidstaten gevoerde politiek de drugshandel aleen maar verder heeft doen bloeien, roept het Commissie, Raad en lidstaten op allereerst de feitenkennis op dit gebied nu eindelijk eens volledig, vergelijkbaar en voor allen toegankelijk te maken en op basis daarvan een gezamenlijk beleid te ontwikkelen.

Makkelijk zal dit niet zijn en de basisbesluiten zullen nog voor lange tijd alleen met unanimiteit kunnen worden genomen, zo denk ik. Door echter te werken in het kader van en onder controle van de instellingen van de Europese (rechts-) Gemeenschap is verantwoorde vooruitgang op dit uiterst gevoelige en met goedkoop populisme alleen niet te ontwikkelen gebied, echter niet ondenkbaar.

Het zal voor Parijs niet makkelijk zijn zich in deze benadering te vinden. U raadt het al, de Franse identiteit en soevereiniteit zouden in het gedrang kunnen komen. Maar met name Nederlanders en Fransen, die allebei graag werken in duidelijke juridische en institutionele kaders, zouden hier zeker zinvol met elkaar vooruit kunnen denken.

In dit perspectief hebben nadere Frans-Nederlandse werkvergaderingen - mits met inschakeling van echt terzake deskundigen - waarschijnlijk wel zin. Het gezamenlijke doel zou kunnen zijn te voorkomen dat in de Europese steden, voorsteden en gevangenissen nog meer 'Amerikaanse toestanden ontstaan die thans in sommige Lid Staten reeds worden geconstateerd.

Aan Frankrijk is wellicht in dit verband een woord van Paul-Henri Spaak goed besteed, dat zegt: “Il faut vouloir les conséquences de ce qu'on veut”. Of, toegespitst op ons onderwerp en in een taal, die ook president Chirac zo graag spreekt: “Messieurs les Français, you can not smoke your joint and have it!”.