Elke lijn bij Kossoff is steeds in een staat van verandering

Tentoonstelling: Leon Kossoff. Tot 31 maart. Stedelijk Museum, Amsterdam. Ma t/m zo 11-17u. Cat: ƒ 45,-.

Deze man houdt niet van schilderen. Kleur kan hij niet verdragen en verf kan hij niet uitstaan. Een 'mooie lijn' moet hem een gruwel zijn en het kwasten een worsteling zonder einde.

Wie voor het eerst een overzicht van Kossoffs werk ziet, kan zich nauwelijks aan zo'n fantasie over de schilder onttrekken. Een groter publiek maakte met hem kennis op de Biënnale van Venetië, waar vorig jaar het Britse paviljoen aan zijn doeken was gewijd. Het Stedelijk Museum in Amsterdam brengt dezelfde tentoonstelling, aangevuld met een tiental schilderijen die eveneens zoiets gewoons als een markt, een kerk of een metrostation tot onderwerp hebben.

Leon Kossoff (1926), zoon van joodse immigranten, leeft teruggetrokken in Noord-Londen. Hij blijft graag dicht bij huis, in zijn rommelige atelier, waar sommige doeken er jaren over doen om door anderen gezien te worden - of om nooit gezien te worden. Want met een mes of een oude krant schraapt hij een voorstelling niet zelden weer volledig van het hardboard af.

Vaak wordt Kossoff in één adem genoemd met de schilders Francis Bacon, Lucian Freud, Frank Auerbach en R.B. Kitaj. Wat hen bindt is Londen en de figuratie. Alleen Auerbach komt stilistisch in de buurt van Kossoff. Beide hadden dan ook dezelfde koppige leermeester David Bomberg, die bij het schilderen meer waarde hechtte aan de spanning van de hand, de emotie en de 'touch' dan 'the sight'. 'Stijl is kortstondig, vorm is eeuwig', zo luidde Bombergs credo.

In spaarzame interviews vertelt Kossoff hoe hij als kind van negen al tekende, hoe datgene wat hij nu schetst lang moet rijpen voordat het voor verf in aanmerking komt. Lijkt een doek eenmaal op zo'n schets, dan is het af. Maar een punt achter een schilderij zetten, is, zoals iedereen kan constateren, niet zijn sterkste kant. Ook het werken naar model is een kwestie van veel geduld. Het duurt jaren voordat zo'n persoon 'een doek animeert', zoals hij het noemt.

In het Stedelijk hangen nu naakten, stadsgezichten, landschappen, portretten en schetsachtige droge-naald-etsen. De verf is heel dik en nerveus, snel en vol beweging aangebracht. Een nieuwe, vette laag lijkt de vorige laag te moeten corrigeren. Elke lijn, elke vorm is tijdens het schilderproces permanent in staat van verandering, zoals ook de herhaalde contouren in de etsen aantonen. Wolken zijn draaikolken, een jachtige hemel waait in verfstriemen voorbij. Grijs-groene hellingen lijken vanuit hun aardse te tuimelen en anonieme passanten maken zich, als klodders met een minimum aan menselijke trekken, bijna rakelings uit de voeten.

Alleen al het bovenaanzicht van een trein, is een bezoek aan deze tentoonstelling meer dan waard. In een genereus reliëf van blauwen, morsgroenen en bruinen, een typisch Engels landschap, snijdt er in de diepte een diesel door het landschap. Er gebeurt verder niets, er heerst randstedelijke vreedzaamheid. En de achtergrond van rode rijtjeshuizen, mag ondanks het vaak sombere palet van Kossoff, in zijn eigen kleur aanwezig zijn.

Het doek is zo opvallend mooi, omdat een paar vriendelijke tinten de schilder zijn ontglipt. Het heeft in tegenstelling tot de serie Christchurch - een indrukwekkende kerk met zuilen die als een atmosferisch onderwerp elk seizoen en elk dagdeel terugkeert op deze tentoonstelling - iets lichtvoetigs gekregen. De lente is naar binnengeslopen en heeft de werkelijkheid op een charmante manier geweld aangedaan.

De naakten van Leon Kossoff ontberen die charme. Ze kennen dezelfde vleselijkheid die Lucian Freud zo indrukwekkend weet te bereiken, in zoverre dat niet de details, zoals bij Freud, maar het 'verfdeeg' de lichamen tastbaar maakt. Vloeibare omhulsels van gelig bleek of oranje-rozig vlees worden door summiere contouren, nat-in-nat, tot een a-erotisch lichaam gekanaliseerd. Net als bij de serie landschappen is ook in deze serie juist het kleine formaat zo spannend en rijk van materie. Het had een haar gescheeld of de schilder zou zich volstrekt in de abstractie hebben verloren.

In het nerveuze schrift, de scheve composities en de deformaties komen Kossoffs doeken in de buurt van Chaim Soutine. In hun troebele kleuren doen ze even denken aan het werk van Marc Mulders. De verfslierten die door de schilderhaast het doek versluieren, roepen Jackson Pollock in herinnering. En in de herhaling van hetzelfde thema onder wisselende weersomstandigheden ontkomt men niet aan associaties met Monet en Cézanne, met dat verschil dat Kossoff een soort psychologisch gevecht levert met zijn eigen 'kathedraal', de monumentale Christchurch-kerk in Spitalfields, waar hij als joods jongetje vroeger niet in mocht komen.

Kossoff moet een ernstige kunstenaar zijn, een naarstige zoeker, een man die ondanks zijn grondige voorstudies, de definitieve staat van een schilderij uiteindeljk overlaat aan een 'moment supreme'; aan het ogenblik waarop die emotionele hand, waar zijn leermeester Bomberg het over had, hem in verf voor verrassingen plaatst. Hoe lang en intensief hij vecht voordat het eindelijk zo ver is, doet weinig ter zake. “Schilderen is hetzelfde als in een crisis verkeren”, heeft Kossoff eens gezegd. Er zijn niet zo veel schilders die zo'n crisis aangaan èn er vorm aan weten te geven.