Een vrouw van grote lijnen

Madame Blavatsky (1831-1891)

SYLVIA CRANSTON: Het bijzondere leven en de invloed van Helena Blavatsky. Stichtster van de moderne theosofische beweging

643 blz., geïll., (uit het Engels vertaald, Putnam's 1993), Theosophical University Press 1995, ƒ 59,-

Er klonken 'prachtige geluiden' toen Helena Blavatsky in 1891 op 59-jarige leeftijd in Londen overleed. Klokken begonnen te luiden “zonder oorzaak of reden”, noteert haar biografe Sylvia Cranston. Het orgel bij haar portret speelde, uit zichzelf: “Het toetsenbord was afgedekt en het was door niemand aangeraakt”. De kosmos, het laat zich raden, was bedroefd over het heengaan van deze bizarre vrouw, wereldreizigster, occultiste en grondlegster van de Theosofie. De as van 'Madame Blavatsky' werd verspreid over de drie hoofdkwartieren van de Theosofische Vereniging, in Londen, New York en het Indiase Adyar.

Warhoofd

De flamboyante Madame Blavatsky was, al tijdens haar leven, een omstreden figuur. Aanhangers droegen haar op handen, critici noemden haar een fraudeur en een warhoofd. Mythologisering viel haar ten deel na haar dood, in tal van theosofische hagiografieën. In de jaren zestig kreeg haar populariteit in spirituele kring een nieuwe impuls van de hippie-cultuur en de opkomende New Age-beweging. De verklaring daarvoor ligt voor de hand: net als de hippies en de New Age zocht Blavatsky een eigentijdse 'derde weg' om het universum zin te geven, die geloof en wetenschap met elkaar zou verbinden.

Tegenover het 'dogmatische' christendom verdedigde ze wetenschappelijke inzichten over de evolutie van de aarde en de historische achtergrond van religieuze tradities; tegenover de 'eenzijdige' wetenschap hield ze de waarheid staande van een vermeende mystieke kern van alle godsdienst: het idee dat de mensheid een goddelijke oorsprong heeft, waarnaar ze via allerlei tussenstadia uiteindelijk zal terugkeren.

Die onderneming paste in de negentiende eeuw, de tijd van het positivisme van Auguste Comte, de triomftocht van de wetenschap en een ongebreideld geloof in de mogelijkheden van de techniek. Het christendom had, van de weeromstuit, veel van haar spirituele zeggingskracht verloren. Bij het zoeken naar haar 'derde weg' deed Blavatsky onbekommerd een beroep op allerhande Europese en niet-westerse esoterische tradities, van boeddhisme en hindoeïsme - door Engelse en Duitse indologen in Europa geïntroduceerd - tot jodendom, gnosticisme, hermeticisme, magie en kabbalistiek. Zodoende creëerde ze een potpourri van occulte en mystieke ideeën, waarvan tal van elementen nog doorwerken in de 'moderne' New Age-Beweging.

Ook Blavatsky's avontuurlijke levensloop, met rusteloze omzwervingen door verre landen, sloot naadloos aan bij de Victoriaanse hang naar het exotische. Wat dat betreft hoort ze in een rij met andere excentrieke Victorianen zoals de ontdekkingsreizeiger, self made antropoloog en oriëntalist Richard Burton, wiens leven ook zo'n typisch mengsel is van (pseudo)wetenschappelijke nieuwsgierigheid en megalomanie, van wijsheid en waanzin. Beiden delen ook een, tamelijk onverkwikkelijke, fascinatie met rassenleer en de fysiologische en 'geestelijke' verschillen tussen volkeren.

Zo'n bizar leven reconstrueren is voor een biograaf geen eenvoudige opgave. De meest fantastische verhalen deden over Blavatsky de ronde, vaak afkomstig van haarzelf. Ze zou in Tibet hebben gemediteerd met de 'Meesters', meegevochten hebben met Garibaldi, paard hebben gereden in een Turks circus, en nog veel meer. Maar tussen feit en fictie valt hier een lange schaduw. Jacob Slavenburg maakt in zijn boekje H.P. Blavatsky (Ankh Hermes, 1991) gewag van haar “schier ongebreidelde fantasie” die “Wahhreit und Dichtung nogal eens verwarde”. Ook gaf ze “bij het meedelen van feiten betreffende haar leven niet van een al te sterk geheugen blijk”. Overigens, merkt Slavenburg vergoelijkend op, “waren details meestal onbelangrijk voor haar: het was een vrouw van grote lijnen”.

Bouwvakkende geesten

Die grote lijnen kunnen als volgt worden getrokken. Helena Petrovna von Hahn werd op 12 augustus 1831 geboren te Jekaterinoslav, in de Oekraïne, als dochter van een Duitse kolonel en een Russische romanschrijfster. Een energiek, bijzonder kind dat volgens Cranston van jongsaf aan occulte gaven had en was “omgeven door een geheimzinnige atmosfeer van zichtbare en hoorbare manifestaties”. Ze had meer gaven. Waar zij logeerde, was het soms de hele nacht een kloppen en zagen van bouwvakkende geesten. In India 'vond' ze langs mediamieke weg een theekopje in de grond - van bijpassend servies - toen er tijdens een picknick onverwachts een extra gast bleek te zijn.

In 1849, op haar zeventiende, trouwde ze de veel oudere Russische militair en staatsambtenaar Nikifor V. Blavatsky, maar al na enkele maanden scheidden ze van tafel en bed. Daarna beginnen omzwervingen door Turkije, Griekenland, Egypte, Frankrijk, dan door Canada en de Verenigde Staten, Zuid-Amerika en India. Hoe ze in haar onderhoud voorzag op die eindeloze omzwervingen, behalve door giften, blijft vaak wat onduidelijk. “Elke maand ontving ik geld - ik heb geen idee van wie”, schrijft ze over haar verblijf in India. In 1856-57 bereisde ze, naar eigen zeggen, Kashmir, Ladakh en het ontoegankelijke Tibet, waar ze van haar mysterieuze 'Meesters' de wijsheid ingeblazen kreeg voor haar latere, vuistdikke, werken Isis Ontsluierd (1877) en De Geheime Leer (1888). Toen had ze al, samen met de Amerikaanse kolonel Henry Steel Olcott, de Theosofische Vereniging opgericht.

Heel haar leven werd Blavatsky omringd door bewonderaars van velerlei pluimage, allen op zoek naar het hogere. Haar salon in New York werd een brandhaard van neo-heidendom en pseudo-wetenschappelijk spiritueel onderzoek. “Iedereen was volstrekt heidens, bijna iedereen had een schitterend intellect”, schreef een van haar vaste gasten trots.

Maar het zat niet altijd mee. Een smet op haar spirituele loopbaan wierp de kwestie-Hodgson. De Brit Richard Hodgson werd in 1885 door de Society for Psychical Research naar India gestuurd om aantijgingen van fraude aan haar adres te onderzoeken. Hij kwam terug met een lijvig rapport waarin geen spaan heel werd gelaten van Blavatsky's paranormale kunsten en van de mysterieuze 'brieven van de Meesters' die her en der in haar omgeving 'materialiseerden'. Blavatsky verliet India, om er nooit meer terug te keren. Haar aanhangers bleven uiteraard ijveren voor eerherstel. Opmerkelijk genoeg gaf de Society daaraan een eeuw later gehoor, in 1986, met een persbericht waarin twijfel werd uitgesproken over het werk van Hodgson, die verstrikt zou zijn geraakt in een onoverzichtelijke brouille in het Blavatsky-kamp.

Biografe Cranston besteedt daaraan veel aandacht: zij is een aanhanger van Madame en kan duidelijk geen kwaad woord over haar horen. Haar boek, uitgegeven door de Theosophical University Press, is dan ook behalve een tamelijk complete biografie één grote verdediging van Blavatsky's werk en handelen. Pagina's lang probeert Cranston aannemelijk te maken dat Blavatsky inderdaad, zoals ze beweerde, in Tibet is geweest. Ook gelooft ze kennelijk in Blavatsky's occulte gaven. Handig is bijvoorbeeld dat Blavatsky visioenen had van oude wijsheidsgeschriften, zodat ze er niet op uit hoefde om bibliotheken te raadplegen. Het tweede deel van de biografie is een even lange als warrige uiteenzetting over de betekenis van Blavatsky's werk voor de filosofie, kunst, natuurwetenschap en godsdienst.

Zulke apologetica is niet ongewoon in esoterische kring. Ook Jacob Slavenburg spreekt vol ontzag van Blavatsky's “overdonderende hoeveelheid informatie” en haar “bijna onwaarschijnlijke belezenheid”. Er schuilt zoveel wijsheid, zoveel eruditie, in haar boeken dat ze wel “een superintelligent wezen” moet zijn geweest om dat allemaal zelf te bedenken - als ze tenminste niet werd ingefluisterd door haar 'Meesters' uit de Himalaya's.

Cranston is van hetzelfde laken een pak. Een volgeling van Blavatsky heeft “een leidinggevende functie bij de Verenigde Naties”. Een criticus is daarentegen slechts een non-descripte “man in de twintig”. Twee van haar assistenten - die het metershoge, ongestructureerde manuscript van De Geheime Leer naar beste kunnen fatsoeneerden - waren “beiden afgestudeerd in Cambridge”. Waarìn, wordt niet vermeld. Instemmend citeert Cranston een Amerikaanse theosoof die De Geheime Leer “een zwaarwichtig werk van rond vijftienhonderd bladzijden” noemt. Einstein had uiteraard een exemplaar op zijn schrijftafel. En, nog imponerender: “Het heeft misschien enige betekenis dat Time Life Books die foto (een opname van Blavatsky in sfinx-pose) heeft uitgekozen voor haar actie om de verkoop te bevorderen van de populaire reeks Mysteries of the Unknown.” Dat heeft het zeker.

Pathetisch

Critici waren er, behalve eerdergenoemde Hodgson, natuurlijk ook. De indoloog Max Müller noemde Blavatsky's theosofische leerstellingen in De Geheime Leer “parodieën op Boeddhisme en Vedanta, vermengd met westerse ideeën”, en “een rechauffé van verkeerd begrepen vertalingen van Sanskriet- en Pali-teksten”. Cranston vermeldt deze kritiek, maar vooral om er vergenoegd aan te kunnen toevoegen dat Müller ondanks aandrang van derden weigerde zijn uitspraken in het openbaar te herhalen - alsof dat zijn ongelijk bewijst. Zo springt dit boek rusteloos heen en weer tussen verering van Blavatsky en verguizing van haar vijanden. Het is van een treurigmakende autoriteits-gevoeligheid, met een pathetisch ontzag voor het geluid van omvallende boekenkasten.

Want hoe geslaagd was eigenlijk Blavatsky's poging een 'derde weg' te vinden tussen geloof en rede? Wie De Geheime Leer doorbladert, belandt in een labyrinth van occulte speculaties over het heelal, de planeet Aarde en mensenrassen. Centraal in dit theosofische evolutionisme staat een, alweer typisch negentiende-eeuwse, rassenleer, waarin de Ariërs uiteraard een geprivilegieerde positie innemen en andere, inferieure, mensensoorten gedoemd zijn te verdwijnen - een idee dat werd overgenomen in de antroposofie van Rudolf Steiner. Het boek lijkt verder geschreven in één lange koortsaanval. Beklemmend eraan is, behalve de leer van menselijke 'wortelrassen', vooral dat het ongeveer zo spiritueel is als het telefoonboek, of het duizend keer opzeggen van de stelling van Pythagoras. Wie Blavatsky's leentjebuur-spelen bij wetenschap en religieuze tradities terzijde laat, ontmoet eigenlijk nergens een inzicht dat dieper gaat dan de conclusie dat de reusachtige beelden op het Paaseiland de overblijfselen moeten zijn van een cultuur van reusachtige mensen.

Blavatsky zelf ondersteunde haar overtuigingen dan ook bij voorkeur niet met redeneringen of argumenten, maar met een beroep op mysterieuze oude teksten, die op hun beurt hun gezag ontlenen aan de 'spirituele ontwikkeling' van hun auteurs. Daarin schuilt, ten slotte, het moderne van de wetenschap en het ouderwetse van Blavatsky's theosofie: in het ene geval gaat het om toetsbare kennis, in het andere om een wereldbeeld dat een beroep doet op mystieke - en elitaire - autoriteit. En waarin elk spoor van kennis en bewijs is verdwenen in suggesties van diepzinnigheid en de weldadige mist van het mysterie. Getuige Blavatsky's onaantastbare status in New Age-kringen is die mist nog lang niet opgetrokken.