Een Tsjechisch schoenendorp in het Brabantse Best; Bid en werk voor Bata

De meeste Bata-schoenwinkels in Nederland moeten sluiten. Het concern uit Best kan de concurrentie niet meer aan. Ooit kwam het Tsjechische bedrijf juist vanwege de lage lonen en de hoge arbeidsmo-raal naar Brabant. Ooit werkten er duizenden arbeiders in Bata-dorp. Te voet naar het verleden.

Het is stil in Batadorp. De Lederstraat, de Looierstraat, de Stanserstraat en de Schoenmakersstraat zijn leeg. Er staan vierkante, vooroorlogse huizen met platte daken. Dat laatste is een idee van de Tsjech Tomas Bata, stichter van het Bata-schoenenconcern. Bata hield van orde en netheid. “En een zolder gaf naar zijn idee alleen maar rommel”, zegt een Batadorp-bewoner. Enkele bomen, een plein en een geasfalteerde weg scheiden de blokkendozen van de fabrieken. Even verderop ligt de vernieuwde Batabrug over het kanaal. Daarachter staan de eerste huizen van de wijk Wilhelminadorp in Best. “Waar nu het Wilhelminadorp ligt, was vroeger alleen maar hei”, zegt S. van Kollenburg (73). Hij was ruim 46 jaar bij Bata in dienst. “De oude kern van Best lag ver weg, die begon pas kilometers verderop.”

De naam Bata was in de wereld een begrip. Het bedrijf werd in 1894 opgericht door drie telgen uit een 300 jaar oude schoenmakersfamilie. Aan het stadsplein van de Oostmoravische plaats Zlin begonnen de 18-jarige Tomas Bata, zijn broer Anton en zijn zus Anna met een startkapitaal van 800 gulden. De Bata's voerden nieuwe technieken als de lopende band in, lieten zelf de benodigde machines ontwerpen en produceren, zorgden voor gespecialiseerde scholing en vestigden in de hele wereld filialen en verkooppunten. Toen Tomas Bata in 1932 om het leven kwam bij een vliegtuigongeluk, produceerde het concern 36 miljoen paar schoenen per jaar.

In 1934 kocht Bata aan de Eindhovense kant van het kanaal voor een dubbeltje de meter 660 hectare grond van de gemeente Best. Er waren toen al tientallen Bata-schoenwinkels in Nederland. Inmiddels zijn het er 75. In de hoogtijdagen van de Batafabriek in Best, vlak voor de Tweede Wereldoorlog, werkten er 2500 mensen die daarvoor zelfs op de fiets vanuit Amsterdam kwamen. Maar nu gaat het slecht met Bata. Dit jaar moeten 58 Bata-winkels in Nederland sluiten; Bata-Best telt nog maar 275 werknemers.

Bata-tempo

S. van Kollenburg was bijna 16 jaar toen hij in 1939 door de Bata werd aangenomen. Hij had het geluk dat een bevriende portier hem stilletjes door een zijdeur binnen liet, zodat hij zijn sollicitatiegesprek eerder kon voeren dan tientallen andere werkzoekenden, concurrenten die elkaar voor het pand verdrongen. Het waren de crisisjaren. Zelfs de boerendochters uit het katholieke Best traden in dienst van Bata, zeer tot ongenoegen van veel bewoners. “Gij gaat toch niet op de fabriek werken” kregen ze te horen. “Fabrieksmeiden, dat vond men maar niks”, herinnert Van Kollenburg zich. De Bestenaren zagen liever dat hun jonge vrouwen gingen 'dienen' bij de plaatselijke rijke families als die van De Werd, de bazen van de boterfabriek, die van Swinkels, Van Heeswijk of Willems, de eigenaren van Tricotbest.

Volgens de inwoners van Best begon het concern met de produktie in Best als reactie op strenge overheidsmaatregelen: in de crisisjaren zou 'Den Haag' de import van buitenlandse produkten hebben beperkt. Maar Bata meldde dat de transportkosten van het groeiende aantal schoenen voor de Nederlandse markt zo sterk toenamen, dat het aantrekkelijker werd de produkten ook in Nederland te gaan maken. Dat Bata voor Best koos, was verklaarbaar. Het plaatsje lag gunstig, aan de spoorweg en het Wilhelminakanaal. Bovendien stond de katholieke bevolking erom bekend te willen aanpakken. Want naar het motto van de pastoor, Bid en werk, werd in Best goed geluisterd.

Tomas Bata was van mening dat een arbeider alleen dàn een topprestatie kan leveren, wanneer diens leven niet door zorgen wordt bemoeilijkt. Zijn tienduizenden werknemers moesten hun zware arbeid met vreugde verrichten, ze moesten tevreden en opgewekt zijn. Maar ook riep hij het Bata-tempo in het leven: hij verlangde van elke medewerker het uiterste. Van iedereen, van hoog tot laag, eiste hij dat die alles in het werk zou stellen om de hoge produktiesnelheid nòg meer op te voeren. Zijn critici noemden dat uitbuiting. Maar er stond wat tegenover. De arbeiders werkten overal slechts 40 à 48 uur per week, in vijf dagen. Bata bouwde geen privé-paleizen van de winst. Alle profijt werd in het bedrijf belegd en werd gebruikt om scholen en internaten bij de fabrieken te bouwen, of zelfs een eigen ziekenhuis. Hij deed het niet uit liefdadigheid - alles diende het bedrijfsresultaat - maar Tomas Bata voerde de gezondheidszorg tot een ongekend peil op.

De bevolking van Zlin, met zijn duizenden Bata-employés, was fitter dan die in de rest van Tsjechoslowakije, zo blijkt uit cijfers van het Tsjechische bureau voor de statistiek in het boek Wie is Bata en wat wil hij? van J. Groot uit 1939. In 1937 was het sterftecijfer van zuigelingen in de Bata-stad 72,5 per 1000 baby's, terwijl dat in heel Tsjechoslowakije 102,3 was. Ook de sterfte als gevolg van tuberculose was in Zlin veel lager: in Zlin overleden daaraan per 100.000 bewoners 115 mensen; in de rest van het land 173. En het aantal zelfmoorden in Zlin bedroeg nog geen tweederde van dat in heel Tsjechoslowakije.

Batabrug

Het Batadorp bij Best kreeg dezelfde vorm als dat bij de hoofdvestiging in Zlin, zoals alle nederzettingen die Bata in het buitenland stichtte. Er kwamen 130 hypermoderne woningen voor de groep leidinggevende Tsjechen en voor arbeiders van buiten de gemeente. Later konden ook de Bestenaren zo'n huis huren. De directeur betrok een villa met een gigantische tuin aan de Batalaan. Het dorp naast de fabriek lag bijzonder geïsoleerd - de huidige Batabrug naar de wijk Wilhelminadorp werd pas in 1947 aangelegd. Wie vanuit Best naar het Batadorp wilde, kon met een grote omweg via een houten brug richting Oirschot; maar de brug over de rijksweg tussen Den Bosch en Eindhoven had de voorkeur. Bij die Boschdijk-brug ging men rechtsaf over een straat van betonnen platen. Eigen weg stond er op een bord geschreven en om dat te accentueren was er een slagboom geplaatst, die één keer per jaar dicht ging.

De 4468 bewoners van Best, vooral boeren, klompen- en sigarenmakers en ook textielarbeiders, keken hun ogen uit toen daar de bouw van het geïsoleerde Bata-complex begon. Van Kollenburg: “Ze sloegen achterover toen ze die huizen voor de werknemers zagen. Die waren voorzien van een chique badkamer en van gas. In die tijd hadden bijna alle mensen hier nog een diepe put achter hun woning, waaruit ze het water schepten. Ze stookten de boel met een houtkachel warm, van een douche of bad hadden ze nog nooit gehoord. Eens in de week wasten ze zich in een teil en het kakhuis stond in de tuin.”

Een oudere broer was Van Kollenburg als arbeider bij de schoenengigant voorgegaan, maar hij hield het slechts een halve dag vol. “Hij kon niet tegen het gevloek en gescheld van die Tsjechische bazen”, roept mevrouw Van Kollenburg vanuit de keuken.

In de roman Vallende Ouders van A.F.Th van der Heijden, die opgroeide in het niet ver van Best gelegen Geldrop, is die oude situatie in de fabriek goed te herkennen. De vader en moeder van de hoofdpersoon ontmoetten elkaar als tieners van 17 en 15 in de oorlog bij wat de schrijver Lata noemt. Ze verdienen er een dubbeltje per uur en ondervinden hoe de Oosteuropese leiding van de fabriek pleegt op te treden: “Toen hij (de vader, red.) eens onder werktijd een praatje stond te maken, kreeg hij van zo'n Tsjech een leest naar het hoofd geslingerd die hem aan een oor verwondde.” Op een dag komt de vaderop klompen naar het werk, om zijn schoenen te sparen: “Hij werd uitgekafferd door zo'n Tsjech uit Latadorp: Jij werken op Schuhfabriek en dan Holzschuhe dragen... Een schande is het voor onze naam.”

Hoe ongezond het werk bij Bata kon zijn, is ook in Vallende Ouders te lezen. De lastigsten onder de jongste werknemers werden verbannen naar de plaats waar schoensmeer werd bereid: “Dat was niet alleen het smerigste, ook het ongezondste werk (...) Uit die troggen warme schoensmeer, waarin grote hoeveelheden terpentijn verwerkt waren, stegen dampen op die de kinderen bedwelmden, dronken maakten. Ze gingen een chemische verbinding aan met hun levenslust, die dampen. Vroeg of laat kwamen de tongen los en werd er verhit op los gezwetst (...) De opzichter, een kienhauer (kattenmepper) uit Helmond, had vooral tot taak goed naar de gesprekken te luisteren. Begonnen die te fantastische vormen aan te nemen, dan moest hij de kinderen met hun quatsch een kwartiertje de buitenlucht in sturen.”

“We zijn daar over het kanaal flink afgeknepen en de omstandigheden in die fabriek waren hier en daar bar en boos. Ik kon niet tegen de stank en ik ben er dan ook niet lang gebleven”, zegt ook een oud-werknemer, die nu in een bejaardentehuis van Best woont. Van Kollenburg schudt bedroefd het hoofd bij alle kritiek op Bata. Hij heeft met “heel veel liefde en plezier bij die perfecte baas gewerkt”. Eerst in het magazijn, later als inkoper. “Zeker, je werd eruit gegooid als je niet goed functioneerde, maar dat gebeurde toch overal? Ze stonden er inderdaad op dat je Bata-schoenen en Bata-kousen droeg. Daar had ik niks op tegen. Het leuke van het bedrijf was dat je ontzettend veel mogelijkheden had. Iedereen kreeg de gelegenheid om te presteren. Ging dat naar tevredenheid, dan volgde er promotie. Zo heb ik me ook kunnen opwerken.”

Bata was zijn tijd ver vooruit, vindt Van Kollenburg nu. “Een eigen huis voor een deel van de arbeiders, tegen een lage huur, dat had je toch bij geen enkele onderneming? Welke firma had vóór de oorlog al een degelijke CAO en een vijfdaagse werkweek? Elders moest je ook op zaterdag opdraven. Alles was er in kannen en kruiken. De hele dag was er een verpleegster, nee, zelfs een complete medische dienst. De dokter liep geregeld zijn ronde.”

Als een werknemer niet fris rook, werd hij prompt apart genomen. “De leiding tilde zwaar aan hygiëne. Ze lette er op dat de tanden wit waren - een regelmatig bezoek aan de tandarts was verplicht. De nagels moesten geknipt zijn, de haren keurig gekamd. Dat was wel effe wennen voor dat eenvoudige boerenvolk uit Best. Maar de meesten accepteerden het, er stond zo veel moois tegenover. Je kon er goed verdienen. Iedere afdeling was verantwoordelijk voor zijn eigen produktie. Haalde je die royaal, boekte je winst, dan leverde dat extra geld op. Dat noemden ze je conto. Het kon flink oplopen.”

Bata had ook een fonds van bijzondere noden van de werknemers. “Dat werd gespekt door de boetes die binnen kwamen”, herinnert Van Kollenburg zich. Wie te laat op zijn werk kwam, zo stond in de CAO, kreeg een geldstraf van maximaal één gulden. Met een uurloon van 37 cent was dat een flinke klap. “Ook alle centen van de salarissen gingen in die pot. Verdiende je vijftig gulden, vier dubbeltjes en zes cent, dan vloeiden die zes cent naar dat fonds. Bata had voor de oorlog al een spaarregeling, om de employés een binding te geven met het bedrijf. Spaarde je een tientje, dan legde de directie daar een tientje bij, maar je moest het bedrag vijf jaar laten staan. Ging je eerder weg, dan kreeg je je geld terug, maar niet de aanvulling van Bata.”

Bata-joekels

De ongeveer 500 bewoners van wat in de volksmond de Batakolonie heette, bemoeiden zich nauwelijks met Best. Ze hadden er niets te zoeken: naast een eigen riolering, een eigen bouwbedrijf en een eigen electriciteitscentrale, beschikte de kleine gemeenschap over een levensmiddelenzaak, een kapper, een restaurant, een school, een dokter en een internaat, waar in de hoogtijdagen 1000 jongens huisden. “Het was één grote familie”, zegt een oude Tsjechische bewoonster. “De bazen, de arbeiders, de studenten, iedereen ging gezellig met elkaar om.” Bata had ook aan de ontspanning gedacht: er was een bioscoop, een toneelgezelschap, een harmonie, een hockeyclub en de voetbalvereniging SCB, concurrent van de plaatselijke club Best Vooruit. Batadorp had zelfs een stationnetje, vlakbij de beruchte spoorbrug: als de werknemers zich verslapen hadden, namen sommigen die 'kortste weg' vanuit Best naar de Bata per fiets - menige waaghals werd er door een trein gegrepen en verloor het leven.

Het bedrijf had een eigen kerk willen bouwen, maar die is er nooit gekomen. Er werd een kapel met een vast altaar ingericht in een deel van de kantine. Vanaf 1941 droeg ene pastoor J. Duffhauss elke ochtend vóór het werk begon een mis op, die de arbeiders in overalls bijwoonden. In de meimaand was er in de middagpauze het lof. De pastoor, die op de hei een houten pastorie kreeg, was geleend van de St. Antoniusparochie. Dagelijks ging hij met een veerpontje het kanaal over. Sommigen herinneren zich dat er in de jaren dertig een Tsjechische pater, Vojtek, geregeld naar het Batadorp kwam, “speciaal voor de biecht van zijn landgenoten”.

“Nou, dat was hard nodig”, zeggen oude Bestenaren, “want die Tsjechische bazen hebben heel wat op hun kerfstok. God wat waren ze arrogant. En wat hebben ze ons afgeknepen in die fabriek.” In Best is men verdeeld over wat als Batja moet worden uitgesproken: de gepensioneerde Van Kollenburg en sommige andere ex-werknemers blijven lovend over het concern, maar een meerderheid van de inwoners heeft weinig op met de onderneming. Die gebruikt zelfs graag de oude scheldnaam Bata-joekels voor de clan van over de brug. “Die Samecs, Lukeslova's, Sikora's, al die Tsjechen wonen er soms al zestig jaar, maar spreken nog steeds geen fatsoenlijk Nederlands”, klaagt een plaatselijke kastelein.

Van de Tsjechen die voor de oorlog in Best kwamen wonen, zijn er enkele tientallen gebleven. Sommigen in het Batadorp, anderen in een villawijkje dat in de jaren zestig is aangelegd. Ze bezoeken elkaar af en toe, maar leiden verder een tamelijk geïsoleerd leven. Voor een gesprek over vroeger voelen ze niet veel. Ofschoon ze inmiddels in de tachtig zijn en al lang geleden met pensioen gingen, lijken ze nog steeds bang om iets verkeerds over het bedrijf te vertellen. “Belt U mevrouw Nossek maar”, zeggen ze, “dat is de vrouw van een van de eerste directeuren. Zij weet alles van toen, en ze is nog goed bij de tijd.” Mevrouw Nossek zou in een aanleunwoning in Eindhoven wonen, maar in geen van de verzorgingshuizen kent men haar. In 1971 verloren 1600 Bata-werknemers in Best hun baan, er volgden reorganisaties en in 1978 verkocht Bata voor bijna 19 miljoen gulden een deel van de gebouwen en vele hectaren grond aan Best. De gemeente verwijderde toen onmiddellijk het bordje Batadorp, net over de brug.

Bata maakt nu alleen nog veiligheidsschoenen met stalen neuzen, werkkleding en andere artikelen voor persoonlijke bescherming zoals brillen en sokken. Bij de laatste inkrimping van de onderneming, begin deze maand, moesten er 25 werknemers vertrekken. “De filialen hebben hun troubles”, zegt een woordvoerder van het concern, “maar op de fabriek hier is niks aan de hand.”

“Kort voor den oorlog”, zegt een bejaarde man in het winkelcentrum van Best, “wilde de fabriek Batadorp uitbreiden tot een complete stad, met achttien fabrieken. Gelukkig gaven Gedeputeerde Staten geen permissie. Dat was te gek geworden. Maar wat er nu allemaal is gebeurd met Bata, dat gun ik dat bedrijf niet. Sinds de jaren zestig is alles achteruit gehobbeld. De lage-loonlanden meneer, daar kan Bata niet tegen concurreren. Er is bekant niks meer van het bedrijf over.”