Een tragische liefde van Alphons Diepenbrock

ALPHONS DIEPENBROCK: Brieven en Documenten

Bijeengebracht en toegelicht door Eduard Reeser. Deel 7

665 blz., geïll., Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis 1995, ƒ 75,- *)

Het zevende deel van de serie Brieven en Documenten van Alphons Diepenbrock opent met een liefdesbrief aan Johanna Jongkindt, pianiste en leerling van de componist. Daarmee is het hoofdthema van deze selectie dadelijk geïntroduceerd. Waar in voorgaande delen een fascinerend beeld ontstaat van het milieu van de Tachtigers en kunstlievende burgers in het Amsterdam rond 1900, is nu veel meer te lezen over gevoelsleven en karakter van Diepenbrock; meer psychologie dan cultuurgeschiedenis. In de anderhalf jaar tussen september 1910 en januari 1912 ontwikkelt zich een liefde in hoogtij, crisis en berusting van zijn kant, terwijl Jo Jongkindt dan haastig is gehuwd met de Amerikaanse schilder Joseph Raphael.

De gepubliceerde brieven beslaan de periode tussen september 1910 en september 1912; de briefschrijver is dan 49 en 50 jaar. Als componist was hij toen bijzonder creatief. De brieven geven een zeker inzicht in de uitvoering en ontvangst van de toneelmuziek in Marsyas, een 'mythische comedie' van Balthazar Verhagen, dat het gezelschap van Willem Royaards opvoert. In deze tijd ontstaan ook het symfonisch gedicht De Nacht en de nieuwe versie van reizangen van de Gysbreght van Aemstel voor Royaards, die in de correspondentie van een Latijnse naam 'Ruberius' wordt voorzien en zo nu en dan over de hekel wordt gehaald. Tussendoor wordt enig licht geworpen op het ontstaan en het allereerste conflict van het Genootschap van Nederlandse Componisten.

De ontvangst van die muziek is gemengd. De redacteur van de uitgave, Eduard Reeser, heeft in een Nawoord enkele brieven gepubliceerd van de advocaat Gijs van Tienhoven, boezemvriend van Diepenbrock, uit 1899 aan zijn geliefde Helena Boissevain (Amsterdamser kan het niet). In een daarvan wordt melding gemaakt van een niet nader genoemde kennis, die Diepenbrock in een dronken bui zou hebben gezegd: “Fons, 't is jammer, jij hebt 9/10 in je van wat noodig is om een wereldgenie te worden, maar het laatste 1/10, dat al de andere 9/10 zou moeten centraliseeren, ontbreekt je.” “Nu ja, blague natuurlijk, maar er is iets waars in”, voegde Van Tienhoven eraan toe. In dezelfde brief had hij geschreven, dat Nederland niet eerder zo'n musicus had gehad, “gedoubleerd door een diepzinnig-gecultiveerde Epicuristische philosooph, doorkneed in de klassieken en een vat vol wijsheid”.

Zomernachten

De Tachtigers zijn in deze jaren een herinnering geworden, een thema van herdenking en van een Gedenkboek, waarin Diepenbrocks afstandelijke bijdrage niet onomstreden blijft. De studiegenoot en jeugdvriend Gorter is ver weg, zowel in persoon als vanwege zijn radicaal socialisme. Hij waarschuwt bijvoorbeeld meermalen zijn geliefde Jo om bij hem les te nemen, want dan wordt de leraar verliefd. Maar er is ook een brief, waarin Diepenbrock schrijft dat de zomernachten die Gorter hem uit zijn Mei voorlas tot de mooiste herinneringen uit zijn jeugd behoren; “voor mij alleen, toen niemand het nog kende en wij dan daarna naar beneden slopen. Iedereen was naar bed, en ik haalde dan uit den kelder een flesch wijn en die dronken wij samen op tot de vroege morgen. Het is Gorter zijn beste tijd geweest, daarna is hij in de war geraakt.” Hij raakt ook artistiek verwijderd van verwante kunstenaars. Over Rik Roland Holst, die het affiche voor Marsyas ontwierp, schreef hij in een brief aan Derkinderen): “Ik vind zijn tekeningen mooi, maar of zij monumentaal zijn laat mij volkomen koud. Ik geloof, dat dat allemaal wolken zijn, dergelijke woorden, waarbij niemand eigenlijk een juiste voorstelling heeft of weet wat er eigenlijk mee bedoeld wordt.”

Het hoofdthema is de driehoeksverhouding, waarin Diepenbrock terecht is gekomen sinds de zomer van 1910. Aan de ene kant zijn echtgenote Elisabeth de Jong van Beek en Donk, in wier gepubliceerde dagboekfragmenten een opmerkelijke tolerantie en begrip doorklinken en die hem tenslotte zelfs zal verhinderen alle brieven van Jo Jongkindt te verbranden. Aan de andere kant de 30-jarige geliefde, die niet alleen een getalenteerd pianiste blijkt maar ook - in de weinige overgebleven brieven - een verrukkelijke persoonlijkheid. Diepenbrock heeft haar in augustus in Ukkel, bij Brussel, bezocht en schrijft haar op 17 september 1910: “De dag is hier het kortstondige geluk, la divine minute, die nog niet eens la possession behoeft te bevatten, maar reeds zooveel in zich sluit, door de volle overgave van het gevoel dat (ik althans) mijn heele leven altijd aan banden heb moeten leggen.”

De oudere Diepenbrock moet begin 1911 voor zichzelf en voor Jo de onmogelijkheid van hun verhouding toegeven. “Jij bent de eenige vrouw die ik hartstochtelijk heb bemind. Liesbeth weet dit, zooals je weet. Maar ik heb je altijd gezegd, dat ik hiervan niet de richtsnoer van mijn verdere leven kan maken, en daaraan het verleden offeren. Ik kan de kinderen niet verlaten, ik kan ook niet het offer van hunne moeder aannemen, dat jij hun stiefmoeder zou worden (zij heeft mij voor eenige maanden gezegd dat zij daar lang en rijpelijk over gedacht had). Ik kan de harmonie die de vrucht is van 15 jaar lijden en kampen en de liefde die daaruit wordt geboren, niet verloochenen en prijsgeven, omdat ik weet dat dat geen stand zou houden, en dat ik te oud ben om een geheel nieuw leven te beginnen en te week van gemoed om al dat leed te kunnen vergeten. Het is mijn fatum dat ik op bepaalde tijden in mijn leven een vrouw ontmoet, die mij wil deracineeren, afsnijden van mijn verband en den samenhang waarin ik met andere dingen ben.”

Huwelijk

In april zou de wanhopig geworden Jo Jongkindt, jaloers ook op de artistieke verwantschap tussen Diepenbrock en de Hongaarse zangeres Ilona Durigo, zich in de armen storten van de Amerikaanse schilder Joseph Raphael; een van de buitenlandse kunstenaars, die rondom 1900 door de Hollandse landschappen en vissersvrouwen naar Nederland was aangetrokken. Toen hij met Jo Jongkindt trouwde, vond hij het nodig zijn maecenas in Californië uit te leggen, dat hij geen Hollands meisje van de prentbriefkaarten en/of in een schilderachtige klederdracht had getrouwd, maar een muzikaal talent en 'a woman of refinement'. Diepenbrock legde zich bij het huwelijk neer. “Voor Joe heb ik uit alles wat je over hem schrijft groote sympathie”, schreef hij aan de nieuwe mevrouw Raphael-Jongkindt. “Nu het lot heeft gewild (waarvan wij altijd nog niet weten of het iets is in of buiten ons of misschien wel beide tegelijk) dat wij niet samen kunnen leven, is dit zeker de beste oplossing.”

In Diepenbrocks niet voor de openbaarheid geschreven brieven zijn opnieuw uitingen van antisemitisme te vinden, die de hedendaagse lezer schokken maar die in de toenmalige verhoudingen vooral begrepen kunnen worden als culturele stellingname van een zo niet katholieke dan toch katholiserende bourgeois. In het zevende deel is de Dreyfus-affaire verleden tijd; Diepenbrock, een Nederlandse 'anti-dreyfusard', beriep zich nu op Wagner, wanneer hij tegenover zijn mede-Tachtiger Willem Kloos betoogde, dat in een beschouwing over de kunstenaar Heine ook zijn joodse herkomst moet tellen omdat de esthetiek zonder sociale dimensie een verzuim is. Heine is in zijn ogen een klein genie en vooral een 'virtuose journalist', wiens 'frivool materialisme en nihilisme' of zijn 'neurasthenisch, egocentrisch' karakter hij rekent tot 'de gebreken van zijn ras'. De correspondentie is geredigeerd met de in deze serie traditioneel geworden zorg en uitvoerige documentatie door Eduard Reeser, de veteraan van de Nederlandse musicologen, die van zijn nieuwsgierigheid naar de persoon en muziek van Diepenbrock maar niet genoeg kan krijgen. Misschien heeft zulke hartstochtelijke nieuwsgierigheid hem wel verhinderd een nieuwe, afgeronde biografie te schrijven. Het historisch materiaal is nu tentoongesteld in vele honderden bladzijden; een schatkamer voor onderzoek naar het Nederlandse fin-de-siècle.

Niet bekend