De revival van het Nederlandse overlegmodel

DEN HAAG, 2 MAART. De ruwe vorm van het akkoord over flexibel werken werd op maandagavond 26 februari in het gebouw van de Sociaal-Economische Raad bereikt. Alleen het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) maakte op één onderdeel een voorbehoud, dat van de contracten voor bepaalde tijd. Iedereen werd op het hart gedrukt vooral niets tegen de pers te zeggen.

Het akkoord was broos. Een ruil van meer zekerheid voor werknemers (het belang van de vakbeweging) tegen meer flexibiliteit voor de economie (het belang van de werkgevers). En zoals het altijd met compromissen gaat: het is maar net hoe je er tegen aan kijkt. Je verliest wat en je wint wat. De beide super onderhandelaars Lodewijk de Waal (namens de vakbeweging) en Niek Jan van Kesteren (namens de werkgevers) hebben het akkoord gisteren op een A4tje samengevat. Daarmee willen ze begin volgende week hun achterban overtuigen.

De beide onderhandelaars zien het akkoord als een groot succes voor de overlegeconomie. En ook minister Melkert (Sociale Zaken) is bijzonder tevreden over “de oude truc”. Wanneer je er in het kabinet niet uitkomt, vraag dan de sociale partners om advies. Ofwel die worden het eens en dan ben je er ook als kabinet uit. Of ze worden het niet eens en dan kan niemand het kabinet verwijten dat het ook geen beslissing neemt. Ditmaal was er de sociale partners alles aan gelegen om tot overeenstemming te komen.

In het kabinet brak vorig najaar een groot conflict uit. Minister Melkert wilde alle werknemers na 6 maanden proeftijd een arbeidsovereenkomst geven. Dat houdt onder meer in dat werkgevers een plicht tot loondoorbetaling hebben. Als er even geen werk is, moet toch loon worden betaald. Uitzendbureau's zijn hier doodsbenauwd voor, want zij floreren juist bij de gratie van het snel naar allerlei functies kunnen uitzenden van losse werkkrachten. Geen werk, geen inkomen is hun devies. Een arbeidsovereenkomst is daar strijdig mee.

De uitzendbureau's wisten de werkgeversorganisaties en de ministers Wijers (Economische Zaken) en Zalm (Financiën) voor hun karretje te spannen. De vakbeweging passeerde Melkert links en rechts en eiste in de nota Een gewone baan bij het uitzendbureau (januari 1996) een arbeidsovereenkomst voor elke uitzendkracht of gedetacheerde, vanaf het eerste moment dat er wordt gewerkt. “Een arbeidsovereenkomst is het formele toegangskaartje tot de normale werknemersstatus”, schreef de grootste vakcentrale FNV in de nota. “Een arbeidsovereenkomst, dat is dus wel het minste”. De uitzendbureau's bestempelden de nota als “gekkenwerk”.

Vanwaar dan ineens de plotselinge vrede? Dat is een mixture van angst om te verliezen en de aloude traditie van het Nederlandse overlegmodel om de gulden middenweg te bewandelen. De vakbeweging was bang dat Zalm en Wijers bij een verdeeld advies van de Stichting van de Arbeid (een advies waarom het kabinet in december heeft gevraagd) aan het langste eind zouden trekken. De werkgevers van hun kant vreesden het tandem Melkert-Kok. Beide zetten hun meest listige onderhandelaars in, gepokt en gemazeld in het vinden van compromissen. En deze keer was de oplossing vrij voor de hand liggend. De Waal en Van Kesteren zijn erin geslaagd om zowel de uitzendbranche ongestoord haar gang te laten gaan als flexibele werknemers meer rechten te geven.

Werknemers krijgen na 6 maanden de arbeidsovereenkomst die Melkert hen wilde geven, maar de uitzendbranche maakt de rechten die aan zo'n overeenkomst kunnen worden ontleend (zoals het recht op loondoorbetaling) per CAO weer ongedaan. Uitzendbureau's kunnen dus ongestoord doorgaan met hun succesformule. De structuur van de branche wordt in langdurige contracten (CAO van 5 jaar of convenant) goed geregeld, zodat wild-west taferelen van quasi koppelbazen die zich voordoen als legale uitzendbureau's de kop worden ingedrukt. Alle werkgevers krijgen bovendien ruimere mogelijkheden om tijdelijke contracten af te sluiten. De vakbeweging bevecht met het akkoord dat de rechtspositie van langdurige flexwerkers beter wordt geregeld. Ze bouwen bijvoorbeeld pensioen op, worden bijgeschoold en krijgen op een gegeven moment zelfs een vast dienstverband bij het uitzendbureau. Op- en afroepcontracten worden netjes geregeld. Alles bij elkaar groeit het pakket aan flexibele mogelijkheden. Het akkoord is een combinatie van flexibiliteit en zekerheid, waar Melkert trots op kan zijn.

De onderhandelaars in de Stichting van de Arbeid zien het akkoord als een vernieuwing van het arbeidsrecht. Vergelijkbaar met het vorige akkoord: Een nieuwe koers van 16 december 1993. Daarin werd voor het eerst gepleit voor “maatwerk en diversiteit”. Het aantal keuzemogelijkheden voor arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen zou moeten toenemen en naar het niveau van de onderneming worden gebracht (decentralisatie).

Het nieuwe van het huidige akkoord is dat afscheid wordt genomen van het oude arbeidsrecht, waarin vaste arbeidscontracten heilig waren. Het hele Burgerlijk Wetboek is daarop afgestemd. Nu wordt, als de onderhandelaars hun zin krijgen, het tijdelijke contract wettelijk en per convenant geregeld. Met de nodige grenzen en een duidelijke rechtspositie voor werknemers die een langdurige relatie met een of meerdere uitzendbureaus hebben.

De Stichting van de Arbeid en de Sociaal Economische Raad leken de wind tegen te hebben. De vriend van de overlegeconomie, het CDA, verdween uit het kabinet en werd vervangen door een vijand: de VVD. Paars leek aanvankelijk weinig met werkgevers en werknemers op te hebben. De algemeen verbindend verklaring van CAO's werd aangevochten, de adviesplicht van de SER werd opgeheven. Maar de overlegtijgers zijn terug. Zij slagen waar het kabinet faalde. Het maken van een werkbaar compromis, waarin alle partijen zich moeten kunnen vinden.