De eerste blowers

Willen de mensen tegenwoordig nog ergens bijgehoord hebben? In juni 1945 kwam je ze vaak tegen: de jongens die nog in het verzet hadden gezeten. Tegen het einde van de jaren zestig waren dat degenen die zelf een provo kenden of er diep in hun hart altijd een geweest waren. Toen kwam de uitspraak - de auteur is anoniem gebleven - die de deur dicht deed: 'Jezus was de eerste provo.' Intussen raakte het Maagdenhuis bezet en daarna kreeg je degenen die 'zijdelings nog bij de bezetting van het Maagdenhuis betrokken waren geweest.' In de jaren zeventig brak de depolitisering aan. Opeens hoorde je op visites en ontvangsten iemand langs zijn neus weg zeggen dat hij weleens bij een lid van het koninklijk huis over de vloer kwam. Die tijd is ook alweer voorbij. In het volgende decennium kwam de Bekende Nederlander tot wasdom. Dat heeft de mensen voorzichtiger gemaakt, want voor je het wist was je met de verkeerde Bekende Nederlander op goede voet, je had terloops zijn naam laten vallen en je merkte dat niemand meer met je wilde praten. En hoe is het nu, in het midden van de jaren negentig?

Ik stond in de tram met een man die mij aankeek alsof hij me kende, en ik merkte dat ik op dezelfde manier terugkeek. Op hetzelfde ogenblik begonnen we te glimlachen en alsof we het hadden ingestudeerd zeiden we: “Dàt is een tijd geleden!” We wisselden de ervaringen van jaren uit, het bleek dat we allebei een paar schaapjes op het droge hadden, hij meer dan ik, en zo kwam het gesprek vanzelf op een van de interessantste onderwerpen: wat we tegenwoordig voor de kost deden. Hij was nog altijd in het bankwezen, stond in het volle leven en volgde alles op de voet. “En nu we het daar toch over hebben, ik lees weleens die stukjes van je. Je schrijft nu ook over de drugs, heb ik gezien.”

Ik legde hem uit dat dit niet te vermijden viel.

“Dan is dit misschien wel aardig voor je. Weet je dat ik nog een van de eerste blowers ben geweest?”

“Vertel!”

“Dat zal misschien wel aan het einde van de jaren vijftig zijn geweest”, zei hij peinzend. “Ik had juist promotie gemaakt. Het liep tegen Pasen, dat weet ik nog goed. Iedere ochtend om half negen moest ik bij de directie komen om te vertellen hoe het de vorige dag met een bepaalde sector in de effectenhandel was gegaan. Toen zaten we op een avond met een paar jongens in het café - je weet hoe dat destijds ging - en opeens zegt één van ons: weet je wat, we gaan naar Loewie! Die heeft altijd een pot met kif op tafel staan.”

“Wat is kif?”

Hij keek me een beetje meewarig aan. “Weet je dat niet? Zo noemden we toen de weed, de stuff, de shit, weetjewel! Maar goed, we gingen dus met ons allen naar Loewie. Die was thuis, liet ons binnen, en bijna meteen begonnen we te rollen en te blowen. Voor mij was het de eerste keer. De andere jongens kregen al gauw een soort van slappe lach maar ik merkte niks!”

“Hoe kwam dat?”

“Vertraagde actie. Een beginner kan zich lelijk in het spul vergissen. Ik blowde dus stug door. Loewie zei: Take freely as long as it lasts. Zo gezegd zo gedaan maar toen we om een uur of twaalf naar huis gingen had ik nog altijd niks gemerkt.”

“Natuurlijke weerstand zeker. Misschien ben je immuun.”

“Let op,” zei mijn oude vriend. “Die hele nacht heb ik geen oog dicht gedaan. Toch 's ochtends vroeg weer naar kantoor. De directeur was een van de menselijkste mensen die ik ooit ben tegengekomen. Hij had een onderdirecteur, Willemse, met een kaal hoofd. Dat vel zat strak over zijn schedel gespannen en het was hard-roze. Aan de zijkanten groeide zilvergrijs haar. Daar zaten ze met z'n tweeën in de directiekamer toen ik binnenkwam. Ik keek naar het hoofd van Willemse en ik dacht: een paasei in een mandje, een paasei in een mandje! En toen ben ik verschrikkelijk gaan lachen. Het hield niet meer op. De directeur zei: Misschien is het verstandiger als u eerst even een luchtje gaat scheppen. Een luchtje scheppen! Ik geloof dat ik van m'n leven nooit harder heb gelachen. Een paasei in een mandje en een luchtje scheppen! Begrijp je?' Hij begon weer te lachen, de tranen liepen hem over de wangen. “Een paasei in een mandje!”

Zelden zal in de tram een zo keurig-conservatief geklede oudere heer zo hard en zo lang hebben gelachen. Het begon de passagiers om ons heen op te vallen. Een verslaafde bejaarde. Je hebt al frauderende bejaarden en nu ook nog de verslaafde.

Gelukkig moesten we er bij de volgende halte uit. Hij was intussen weer een beetje bijgekomen. “Je begrijpt dus dat ik tot de eerste blowers van Amsterdam hoor”, zei hij. “Je moet er geweest zijn om er over te kunnen oordelen. Doe er je voordeel mee, zou ik zeggen. Maar als je het gebruikt, doe mij dan ook een plezier en noem m'n naam niet.”

Dat beloofde ik hem en we namen afscheid.

Wat moet je vroeger hebben gedaan om een held van deze tijd te zijn? Wat moet je nu doen, tot welke eersten moet je horen, wie nu kennen, om een held van het jaar 2030 te kunnen worden?

Ik keek mijn oude vriend na. Hij liep kaarsrechtop, in een licht wippende tred en hij knipte met zijn vingers.