Anders lelijk (2)

Het vroor nog en in de straten tochtte een ijzige wind. Alles was schraal en grauw die dag. Toen ik mijn huis uitkwam zag ik kouwelijk een optocht voorbij trekken. Het was te zien dat dit een optocht van arme mensen was. Maar geen protest klonk uit hun rijen op. Zij marcheerden niet in dichte drom maar kuierden met tussenpozen in groepjes voorbij. In de stoet reden bestelauto's en vrachtwagens mee die soms lang moesten wachten tot ergens verderop een onzichtbare stremming was opgelost. In de laadbak van die auto's stonden luidsprekers waaruit gebonk klonk en doffe, schorre stemmen die op gebiedende toon woorden scandeerden als 'Willemien', of ook wel 'Schanke, schanke, schanke'.

Op die maat legden de wandelaars hun route af en wanneer ze de ene auto voorbij liepen en binnen het geluidsbereik van een andere kwamen was er even wat geschuifel en gedrentel op twee maten door elkaar, dan verschikten ze hun pas en stapten voort op de maat van het volgende gebons. Soms passeerde een wagen met geluidsboxen die op volle sterkte niets dan ruis en kraak lieten horen. Dat leek niemand te deren en er werd op doorgewandeld als was het marsmuziek.

Op de laadvloer van de vrachtwagens stonden mensen in dikke jassen waar hier en daar een strook crêpe-papier aan hing. Zij hadden zich de een achter de ander opgesteld, de verkleumde handen op de schouders van hun voorganger, en tilden tegelijk het ene en dan het andere been op in een schommelende beweging alsof zij zware zakken een loopplank op moesten dragen. Maar bij gebrek aan ruimte kwamen zij in die laadbak niet van hun plaats.

Het was feest. Boem, boem.

De optocht had te maken met de carnavalsviering, maar een carnavalsoptocht was het niet. Er was niets te bekennen van praalwagens, van woorddronken prinsen, van raadselachtige vermommingen, van reusachtige poppen die zich dreigend naar de omstanders buigen of van meisjes in enkel veren en pailletten die boven een door tractors voortgetrokken landschap zweven, van muziek die niet enkel dwong om in de maat mee te stappen maar die ook zou lokken om de stoet te volgen naar een wenkend en vervoerend feest. Er was geen zang, geen dans, geen sprankje vreugde.

Maar in deze stoet wilde niemand dreigend zijn, of grappig verleidelijk, raadselachtig of ontroerend. Niemand deed zijn best voor wat dan ook. Men stapte voort van de ene maat naar de andere of deinde voort in de laadbak. De meeste feestgangers hadden zich voor de optocht lelijker gemaakt dan ze in hun gewone doen waren. Sommigen hadden een oude kiel of jekker aangetrokken, anderen hadden zich gewikkeld in een rol roze schuimplastic waarop ter hoogte van de borst twee rode stippen waren aangebracht, van buiten naakt van binnen aangekleed. Maskers, kostuums, banieren kwamen er niet aan te pas. Alleen de buurtfanfares die voor elke optocht worden opgetrommeld marcheerden kek voorbij, in de pas, in eigen uniform met kolbak en tressen, met dansmariekes langszij, voorop de tamboer-majoor met zilveren staf en helemaal achteraan de buurtidioot met zijn kornet.

De feestgangers die deze optocht hadden opgezet wilden niets meedelen, niets uitdragen, niets verbeelden. Ze wilden alleen zichzelf zijn, helemaal en met zijn allen zichzelf zijn. Daar hadden ze verder niets voor nodig, geen kostumering of versiering, of wat voor attribuut dan ook behalve één: een blikje bier. Haast allemaal hadden ze een blikje bier in de hand. Een enkeling schonk uit een zakfles een plastic bekertje vol en keek daarbij guitig om zich heen alsof hij iets deed waar een klein beetje moed voor nodig was en dat bij het publiek zeker vertedering of zelfs bewondering zou wekken.

Ik stond dat zo een tijdje aan te kijken, eerst verwonderd maar al gauw met oplaaiende haat. Die haat verbaasde me. Niemand in die optocht had mij iets misdaan, het evenement bezorgde mij niet de minste last. Maar ik was, begreep ik, ten prooi aan culturele klassenhaat.

Het zou niet moeilijk zijn om met een paar welgekozen snieren die woede op de lezers over te brengen. Ik zou dan de term 'armen' (de armen verdienen onze sympathie) moeten vermijden, en schrijven over Nederlanders die nu eenmaal niet weten wat feestvieren is. De lezers zouden meteen begrijpen dat ik met die 'Nederlanders' hen niet bedoelde en ook niet mijzelf, maar andere, mindere mensen. Wij zouden wat gniffelen om hun stijlloos vertoon, ons ergeren aan hun lompe verschijning en pas echt kwaad worden om de wansmaak en het gebrek aan manieren. Wij zouden ons daarin zeer verbonden voelen. Een klasse, ja, maar dan toch een culturele klasse.

Maar er werd daar op straat een heel nieuw mensenrecht opgeëist: het recht om desnoods onbeduidend en onwetend te zijn, om misschien wel onbeschaafd, onbegaafd en nietszeggend te zijn en toch - nee juist daarom - voor een wintermiddag met zijn allen en in het openbaar de aandacht op te eisen.

Dat recht, om zonder enige verdienste toch het middelpunt te zijn was tot nog toe voorbehouden aan heel kleine kinderen en aan koningen. Alle anderen moeten om de aandacht te trekken iets te melden hebben of iets presteren. Maar meer en meer verschijnen 'gewone mensen' op radio en televisie en die gewone mensen doen ook nog 'gewoon'. Tot nu toe moesten ze daarvoor dan wel iets prijs geven, een avontuurlijke belevenis of een familiegeheim, ze moesten erg geleden hebben of veel gewonnen. Maar dat was in die optocht al niet meer nodig, daar hoefde niemand nog iets anders te doen dan gewoon maar mee te lopen.

Het hoogste mensenrecht is het recht op aandacht. Tot nu toe moesten mensen andermans belangstelling verdienen door zich voor die anderen interessant te maken. Maar de oninteressante mensen zijn veruit in de meerderheid en zij zijn het die het overgrote deel van de aandacht opbrengen. De tijd is gekomen dat zij een evenredig aandeel in de publieke belangstelling opeisen.