Zoon in het kippenhok

Mia Couto: Slaapwandelend land. Vert. Harry Lemmens. Uitg. Ambo/Novib, 198 blz. Prijs ƒ 32,50.

'Oorlog zorgt voor één ding: alles wordt waarachtig', zegt een van de vertellers in Slaapwandelend land, en de lezer dient het accent te leggen op het woordje 'alles'. Want tijdens een oorlog, zo lezen wij, ontmoeten doden en levenden elkaar in een schemerwereld waarin de fantasie de werkelijkheid dicteert.

In deze roman van de Mozambiquaanse schrijver Mia Couto zijn de hoofdpersonen gevoelige types die zich niet weten aan te passen aan het oorlogsgeweld. Naar een veiliger plek zoeken zij, een plek waar de moordenaars hen niet kunnen vinden. En ze vluchten naar zee, zoals de eenzaam op een scheepswrak huizende jonge vrouw Farida verkozen heeft, naar het dodenrijk en naar het rijk van de waanzin.

De door Couto's personages bedachte strategieën om toch nog vrede met de gewelddadige realiteit te hebben zijn even triest als verrassend. Zo beschermt een vader zijn zoon door hem in het kippenhok op te sluiten, waar het kind sprekend op een haan begint te lijken. En een oude man, alleen achtergebleven in zijn vernielde dorp, dwingt een jonge indringer de naam van de bejaarde in een boomstam te kerven: dan zal die naam zich vanzelf vermenigvuldigen, denkt de oude getroost, en op die manier zal hij zijn dorp, ondanks het ontbreken van vrouwen, verse nakomelingen schenken.

Het Mozambique van de in 1955 geboren Mia Couto is een door honger, corruptie en rassenhaat geteisterd land waarin marxistisch geschoolde burgemeesters het voedsel voor de stervende massa's verdonkeremanen en zwarte volkshelden goede zaken doen met uit het graf herrezen blanke slavendrijvers. Uit dergelijke bitter-satirische verwijzingen kunnen we opmaken dat het verhaal zich ná 1975 afspeelt, het jaar waarin Mozambique onafhankelijk werd, en tijdens de zich tot op heden voortslepende burgeroorlog. Namen als Frelimo en Renamo vallen trouwens nooit in dit poëtische boek, dat niet de kracht van welke militante beweging dan ook bezingt maar uitsluitend die van de vertelkunst.

In Couto's roman, opgezet als een geraffineerde raamvertelling, is haast iedereen verslaafd aan verhalen. Men betovert er zijn luisteraars mee of spint er zichzelf mee in; het verhaal is een welkome afleiding en soms een surrogaat voor reëel gezelschap. Want wie op zichzelf is aangewezen in een ontvolkte, dode streek, die heeft om mens te blijven fictieve medemensen nodig. Een beklemmende gedachte, maar Mia Couto schrijft er net zo geanimeerd over als zijn vertellers vertellen.