Ziektewet na 66 jaar geprivatiseerd

Wegens de privatisering van de Ziektewet, die vandaag ingaat, hoeven werknemers daarvoor geen premie meer te betalen. Dat moet binnenkort op hun loonstrookje te merken zijn.

DEN HAAG, 1 MAART. De Ziektewet is vandaag voor de meeste werknemers afgeschaft. Het kabinet kondigde dit voornemen aan in het regeerakkoord van augustus 1994. Op 6 februari 1995 vroeg staatssecretaris Linschoten (Sociale Zaken) er een advies over aan de Sociaal-Economische Raad (SER). Op 28 april 1995 stemde de ministerraad in; vervolgens ook de Tweede Kamer en tot slot, op 6 februari van 1996, ook de Eerste Kamer.

In anderhalf jaar is de privatisering van de Ziektewet afgerond. Van stroperige besluitvorming kan hier dus moeilijk worden gesproken. Zeker niet in vergelijking met de totstandkoming van de wet. In 1901 behandelde het parlement de Ongevallenwet en werd het bij die gelegenheid eens over de wenselijkheid van een verplichte ziekengeldverzekering. Het zou tot 1913 duren eer zo'n regeling, in de vorm van de Ziektewet, ook werd aanvaard, nadat ARP-minister A.S. Talma (Landbouw, Nijverheid en Handel) in 1912 het voorstel had ingediend. Vervolgens duurde het nog tot 1930 alvorens deze wet ook daadwerkelijk werd ingevoerd, een kleine dertig jaar nadat het parlement de noodzaak ervan inzag dat zieke werknemers een deel van hun loon doorbetaald krijgen volgens het beginsel van het 'rechtvaardig arbeidsloon'.

De Ongevallenwet van 1901 was de eerste sociale verzekeringswet in Nederland. Aanvankelijk was zij alleen van toepassing op arbeiders die gevaarlijke werkzaamheden verrichtten; de verzekering dekte alleen de gevolgen van een ongeluk dat de arbeider op zijn werk was overkomen. Anders dan bij de latere Ziektewet ging het er hierbij niet alleen om het loon te dekken dat de zieke of arbeidsongeschikte arbeider niet kon verdienen, maar ook om de medische kosten. In 1921 kreeg de Ongevallenwet een veel ruimere werking. Werknemers van vrijwel alle industriële bedrijven vielen nu onder de wet en ook hoefde het voor deze sociale verzekering niet per se meer te gaan om ongelukken die zich op het werk hadden voorgedaan.

Dat het tot 1 maart 1930 zou duren voordat de Ziektewet werd ingevoerd, had te maken met voor de Nederlandse sociale zekerheid klassieke ruzies over de uitvoering. Het wetsvoorstel van Talma voorzag in uitvoering door Raden van Arbeid. De discussie die daarover ontstond - en waarvoor dus de nodige tijd werd genomen - mondde uit in een keuze voor een gezamenlijke uitvoering door de Raden van Arbeid en de bedrijfsverenigingen, de gezamenlijke organen van werkgevers- en werknemersorganisaties. Ook werd er in 1930 voor gekozen de kosten van geneeskundige behandeling niet langer tot de risico's te rekenen die de Ziektewet moest dekken. De wet werd een zuivere loondervingsverzekering.

In 1952 werd de uitvoering van de Ziektewet het exclusieve domein van de bedrijfsverenigingen. Juist daarop kwam bij de parlementaire enquête naar de uitvoering van de sociale verzekeringen in 1993 veel kritiek. De privatisering van deze wet betekent dan ook dat de bedrijfsverenigingen werk verliezen.

In 1967, het jaar waarin de WAO (Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering) werd ingevoerd, deed zich een volgende ingrijpende wijziging in de Ziektewet voor. Tot dat jaar had alleen een werknemer die ziek was recht op ziekengeld. Als een werknemer door een ongeval op het werk arbeidsongeschikt was geworden, viel hij tot 1967 onder de Ongevallenwet, de Zee-ongevallenwet of de Land- en Tuinbouwongevallenwet. Op werknemers die door een ongeluk buiten het werk arbeidsongeschikt waren geworden, was de Invaliditeitswet van toepassing. WAO en Ziektewet werden nauwkeurig op elkaar afgestemd. Wie het maximum van een jaar in de Ziektewet had doorgebracht en werd afgekeurd, schoof door naar de WAO.

Nadien werd de hoogte van de wettelijk gegarandeerde Ziektewetuitkering tweemaal verlaagd, in 1985 van 80 naar 75 procent en in 1986 van 75 naar 70 procent. De meeste werknemers merkten daar weinig van, omdat via CAO-afspraken werkgevers de uitkeringen veelal toch tot 100 procent aanvulden. Of de werkgevers dit blijven doen, zal bij de komende CAO-onderhandelingen blijken. Dit geldt ook voor de betaling van de eerste twee dagen van het ziekteverzuim; de werkgever is hiertoe volgens de wet niet verplicht.

Het hoge ziekteverzuim in Nederland leidde in de jaren negentig tot nieuwe ingrepen. In 1994 werd de Wet Terugdringing Ziekteverzuim van kracht. Dit was de eerste stap naar de privatisering. Werkgevers moesten de eerste zes weken van het ziekteverzuim van hun werknemers voor eigen rekening gaan nemen of, wanneer het om een bedrijf met niet meer dan vijftien werknemers ging, de eerste twee weken. Desgewenst konden de werkgevers dit risico particulier verzekeren. Binnen de termijn van twee of zes weken doet zich negentig procent van het ziekteverzuim voor. Daarom is de stap die vandaag is gezet - een eigen risico van 52 weken voor werkgevers - minder groot dan op het eerste gezicht lijkt.

Wel heeft dit besluit voor werknemers de bijkomstigheid dat ze geen Ziektewetpremie meer hoeven te betalen, die voor de meesten één procent van het premieloon bedroeg. Op hun loonstrookje moet dit deze maand te merken zijn. Dit geldt niet voor alle werknemers, omdat een aantal grotere bedrijven, zoals banken, onder de oude Ziektewet vrijwillig de financiële risico's van het ziekteverzuim droeg.

De Ziektewet verdwijnt niet helemaal. Zij blijft intact voor zwangere vrouwen, uitzendkrachten, werklozen en werknemers wier werkgever tijdens hun ziekte failliet is gegaan.