Wonen op het verleden; F.B. Hotz beschrijft een roerloze wereld

F.B. Hotz: De vertegenwoordigers. Verhalen en beschouwingen. Uitg. De Arbeiderspers, 115 blz. Prijs ƒ 27,50.

Op het voorplat van dit supplement kwam Rudy Kousbroek twee weken geleden terug op een 'mirakel' dat hem wel eens meer heeft beziggehouden. Als je kijkt naar oude foto's, zegt hij, overvalt je steevast een acuut gevoel van schoonheid. Of het nu portretten zijn of straatbeelden of kiekjes van een huisdier, of ze technisch goed of slecht zijn, het maakt allemaal niet uit, zolang ze maar getuigen van vervlogen tijden, liefst in albuminedruk. Ze dragen een 'brevet van onvermogen om lelijk te zijn'.

De observatie zou van personages uit het werk van F.B. Hotz kunnen zijn. Het wemelt in hun wereld van de oude foto's, overigens aangevuld met illustraties uit vergeelde tijdschriften, van De Lach tot The New Yorker, met muziek uit radio en grammofoon, van Bach tot jazzorkesten, en met steeds weer nieuwe, ongehoord nauwkeurige herinneringen. Steeds weer dwalen hun gedachten af naar beelden uit de jaren tien tot dertig, ongeveer de jaren van hun jeugd, op zoek naar een schoonheid die nadien uit het bestaan verdwenen lijkt - maar ze beseffen tegelijk dat het alleen die beelden zijn waarin die schoonheid opgeslagen ligt. De werkelijkheid was anders.

'Hij wist niet waarom hij met heimwee aan zijn kindertijd dacht,' zo heet het dan ook in Hotz' nieuwe bundel De vertegenwoordigers, 'want hij was toen overal bang voor.'

Als altijd leggen veel van de verhalen uit de bundel, overigens vijf stuks, aangevuld met drie beschouwingen, iets bloot van die angstige werkelijkheid van toen. Een oudere heer gaat terug naar de tijd dat hij als kind onpeilbare spanningen bemerkte bij zijn vader en zijn moeder, die later zouden scheiden, en nog wel het meest bij de hond, die na een onverklaarbaar valse uitval afgemaakt moest worden. Een andere heer, of mogelijk dezelfde, dat maakt nooit veel uit bij Hotz, herinnert zich hoe hij als kind een dag op pad mocht met zijn vader, een vertegenwoordiger, en na uren zwijgen doorkreeg dat ze beiden zenuwachtig op een ogenblik zaten te wachten om iets pijnlijks aan te roeren. Kinderjaren, het zijn krassen op een gladde ziel.

En toch die weemoed, later. Het verleden is voor Hotz' figuren een bestaansnoodzaak, je eet en drinkt ervan, je woont erin en slaapt erop, en niets is in hun ogen erger dan te zien hoe mensen losjesweg beweren dat ze zelden omkijken en liever in het heden leven. 'Zonder iets om de tijd van ontstaan te geven bleef ieder ding dood,' zegt alweer een heer op jaren, en de toekomstfantasie 'Theodicee' geeft daar de afschrikwekkende bewijzen bij. In een volmaakte wereld, we verplaatsen ons naar 2063, is er geen ziekte meer, geen angst of pijn of ouderdom, het hele leven is een altijddurend vredig nu. Maar daardoor is er ook geen spoor meer van geschiedenis of van herinneringen, van geheugen, kortom van bewustzijn. Met het tijdsbesef is heel het leven weggelekt.

Toch, dat is het gekke, geven de herinneringen van Hotz' helden evenmin een indruk van veel tijdsbesef. Ze kijken terug op stille dagen, toen hun wereld niet veel wijder was dan hun eigen blik, en ze vergeten de geschiedenis daarbuiten, die uit de boeken, met zijn grote lijnen en ontwikkelingen en vermeende 'voorboden' van de toekomst. 'Ik wil ook kunnen houden van het eenmalige, onbetekenende verleden dat alleen nog achterhaalbaar is in de versie van een anonieme ooggetuige, opgetekend in het uur van de gebeurtenis,' om met de ik-figuur uit de novelle De voetnoot te spreken. 'Liefst zonder 'visie'.'

Die benadering van het verleden, overigens ook onder historici de laatste jaren populair geworden, heeft het eigenaardige effect dat een verhaal wordt losgetornd uit zijn gebruikelijke kader en welhaast van alle tijden lijkt - misschien wel als een oude foto, die in Kousbroeks woorden als vanzelf iets 'tijdloos' krijgt. Die samenhang lijkt Hotz ook zelf te zien, waar hij in een van de beschouwingen van De vertegenwoordigers een afdruk uit de jaren twintig van een groepje vrouwen op het strand bekijkt. De zee is zee als overal, de badpakken verraden geen enkele mode, tijd noch plaats zijn te bepalen. 'Een foto,' oordeelt hij, 'van een soort eeuwigheid.'

Die eeuwigheid, gevangen in de lens van de herinnering, weet Hotz sinds zijn debuut al op te roepen met een stijl, concies, licht, bondig, die zijn kracht zoekt in het onopvallende - of preciezer, om zijn eigen woorden in De vertegenwoordigers te lenen, in 'het vervangen van ongewone woorden door gewone'. In zijn woorden geeft hij de dingen een omlijning mee die haast onzichtbaar blijft, een helderheid die gek genoeg opnieuw doet denken aan een typering van Kousbroek, waar die de bijzonderheden van de vorige-eeuwse fotolens bespreekt. 'Het gevolg was een enorme scherptediepte, hetgeen de illusie oproept van een wereld waarin een fantastische nauwkeurigheid, onderdeel van een transparante helderheid die in onze moderne tijd verloren is gegaan.'

Die sensatie van een roerloze, voorgoed voorbije wereld is in deze bundel wederom Hotz' grote kracht. De samenstelling doet vermoeden dat het werk met enige moeite is ontstaan, verhalen en beschouwingen samen komen amper aan de honderd bladzijden, in flinke chocoladeletters, met een ruime rand wit, en zeker de beschouwingen zijn niet zijn meesterproeven. Maar over alles heen ligt weer die sepia-gloed van een verleden dat verdwenen is en toch in woorden gaaf en tijdloos op te roepen valt. Voor dat verloren paradijs, een eeuwig leven dat ons in het nu ontzegd wordt door de tijd, die schept en weer vernietigt - voor dat verloren paradijs lees je Hotz.