Wapen

“Wie niet van wapens houdt, houdt niet van mensen”, zei de jongeman. Hij had een vrolijk gezicht. “Dat soort dingen zul je in New York wel niet horen?”

“Nee”, zei ik.

“Kijk, de liberalen zeggen: wie een wapen heeft gaat daar op onschuldige mensen mee schieten. Dat noem ik geen vertrouwen hebben in de mens. Dat noem ik de mens zwartmaken. Dat noem ik cynisme. Heb jij hobby's?”

De vraag kwam onverwacht.

“Ik ga wel eens naar de bioscoop”, zei ik.

“Hoe zou jij het vinden als iemand opeens zou zeggen: jij mag geen films meer kijken? Zou je dan ook niet boos worden?”

Ik knikte.

“Ik ben opgegroeid tussen de wapens”, zei de jongeman. Hij was van mijn leeftijd. “Ik heb bij de marine gezeten, ik houd van wapens.” Hij keek me aan in zijn achteruitkijkspiegeltje.

“Wapens zijn niet alleen wapens, ze zijn ook mooi. Zoals vrouwen mooi kunnen zijn. Als je veel van wapens weet leer je dat ze allemaal een geschiedenis hebben. Net als mensen. Dat lees je niet in de kranten, hè?”

“Nee.” De lucht boven Las Vegas was blauw. Het was de dag na de nacht dat ik het grootste gedeelte van mijn geld had verspeeld. Ik was om elf uur opgestaan en had mijn haar laten knippen bij de hotelkapper. “U heeft droog haar”, had de hotelkapper gezegd en toen probeerde hij mij een lotion te verkopen. Dat was hem gelukt.

“Ik schiet niet zomaar, ja, als iemand me wil beroven schiet ik, maar dat is iets anders.”

Hij haalde een doosje van onder zijn stoel tevoorschijn. Ik kende dat soort doosjes van de muziekschool. Toen zaten er dwarsfluiten in.

“Kijk er nou eens goed naar”, zei hij.

Ik keek naar het wapen. Het glom en lag op een bedje van groen fluweel.

“Mooi?”

“Mooi”, zei ik.

“Weet je waarom er in New York zoveel misdaad is? Omdat de mensen daar geen wapen mogen hebben.”

We stopten voor een stoplicht.

“Wil je er een kopen?”

“Denk je dat het verstandig is?” Ik weet niet meer hoe ik deze zin uit mijn mond had gekregen. Het was bedoeld als aanloop om 'nee' te zeggen. Maar voor de jongeman was de koop gesloten. Hij draaide naar links. We reden over een zandweg. Ik voelde me duizelig, maar dat kwam misschien omdat er veel hobbels in de weg zaten en we nogal hard reden. Ten slotte kwamen we bij een groot zandveld omgeven door een paar afgegraasde struiken. Er stond een verroeste auto. Zo te zien werd er flink op die auto geschoten.

De jongeman opende de kofferruimte en haalde er een verzameling wapens uit. De meeste lagen in doeken. Alleen een enkel wapen lag op bedje van groen fluweel.

“Ben je nou taxichauffeur of wapenhandelaar?”, vroeg ik.

“Mijn naam is Tim”, antwoordde hij, “en jij?”

“Vrienden noemen me De Kakkerlak.”

Hij lachte. “Oké Kakkerlak”, zei hij “heb je wel eens geschoten?”

Liegen leek me dom. “Nooit.”

“Dan beginnen we met de kleinste”, zei Tim.

Hij laadde een zilverkleurig wapen en schoot een paar keer op de auto. Toen gaf hij het aan mij.

Ik stond zeker een minuut roerloos met het wapen in mijn hand. Ik hield het vast alsof het een giftige slang was.

Het gevaar, besefte ik, was niet dat Tim op mij zou schieten. Het gevaar was dat ik per ongeluk zelf op me zou schieten. In mijn voeten bijvoorbeeld. Merkwaardig genoeg had het iets aanlokkelijks om op mezelf te schieten. Het leek zo gemakkelijk.

“Schiet”, zei Tim.

Hij had de trekker overgehaald met één vinger. Mij lukte het niet met één vinger. Ik moest mijn twee wijsvingers gebruiken. De kogel sloeg in het zand, een paar meter van mij vandaan. Ik had me nooit gerealiseerd hoeveel lawaai schieten maakte.

“Heb je iets voor mijn oren?”, vroeg ik.

Hij haalde twee watjes uit zijn broekzak. Ze leken me al eerder gebruikt, maar ik propte ze toch maar in mijn oor. Hij gaf me nu iets wat op een geweer leek. Ik moest het tegen mijn schouder zetten. De terugslag was enorm. Ik had het gevoel dat mijn schouder van mijn lichaam werd gerukt.

“Ik neem de kleinste”, zei ik, “ik ben een klein mannetje.”

Hij nam het zilverkleurig wapen in zijn hand. “Een prachtexemplaar, vijfhonderd dollar.”

Wat zijn vijfhonderd dollar als je de nacht ervoor tienduizenden hebt verspeeld. Bovendien wilde ik van hem af. Ik trok de watjes uit mijn oren en haalde het geld uit mijn borstzakje.

Het doosje met het groene fluweel hield hij zelf. Wel gaf hij me tien kogels als relatiegeschenk. Ze waren ongeveer drie centimeter lang en wogen bijna niets. Mijn wijsvinger bloedde. Ik had me bezeerd aan de trekker.

Tim reed me terug naar mijn hotel.

“De mens is zo vrij als het wapen dat hij draagt”, zei hij, “dat is mijn filosofie.”

“De mijne ook”, zei ik.

Ik liep door de lobby naar de lift. Het wapen zat in mijn broekzak en schuurde onaangenaam tegen mijn kruis.

In mijn kamer gooide ik het op mijn bed waar ook al de lotion tegen droog haar lag.

De hemel was nog steeds blauw.

Ik nam een bad. Bij het afdrogen merkte ik dat ik klappertandde. Ik kon daar zeker een uur niet mee ophouden. Ik moet er vanaf, dacht ik, ik heb geen vergunning, als ze er achter komen word ik het land uitgegooid.

Ik wikkelde het wapen in een oude krant. En deed die krant toen in een plastic zak. Het leek me net alsof ik een paar worteltjes op de markt had gekocht. Ik was vast besloten het wapen buiten op straat in een prullenmand te gooien. Ik verliet mijn hotelkamer. Het zag er onschuldig uit, vond ik zelf. Ik had er alleen niet meer aan gedacht de kogels uit mijn broekzak te halen.