Sancties VS treffen meer dan alleen Cuba

MEXICO-STAD, 1 MAART. De nieuwe Amerikaanse sancties tegen Cuba kunnen de Cubaanse economie nadelig beïnvloeden. Het akkoord tussen Clinton en het door de Republikeinen beheerste Congres betekent een amendement van de zogeheten Cuban Democracy Act, een wet die in algemene zin de democratisering van Cuba beoogt. Het amendement is ingediend door de ultra-conservatieve voorzitter van de buitenlandcommissie van de Senaat, Jesse Helms, en zijn partijgenoot Dan Burton, lid van het Huis van Afgevaardigden. Tot het incident met de vliegtuigjes van afgelopen zaterdag voelde Clinton niets voor 'Helms-Burton', zoals het amendement in de wandeling heet.

Het amendement is de tweede, aanzienlijke aanscherping van het al meer dan dertig jaar oude Amerikaanse handelsembargo tegen Cuba dat Amerikaanse bedrijven verbiedt om zaken met het eiland te doen en Amerikaanse staatsburgers verhindert naar Cuba te reizen. In de eerste aanscherping, een amendement ingediend door de Democratische afgevaardigde Robert Torricelli, wordt bovendien ook buitenlandse filialen en dochterondernemingen van Amerikaanse bedrijven verboden handel te drijven met Cuba.

'Helms-Burton' beoogt ook buitenlandse bedrijven die verder niets met de Verenigde Staten of Amerikaanse belangen te maken hebben, te straffen voor het zaken doen in Cuba. Topmensen van deze bedrijven lopen het risico dat ze geen visum krijgen voor een bezoek aan de VS en dat de Amerikaanse overheid geen zaken meer met hen zal doen.

Doel van deze bepalingen is het afknellen van alle Cubaanse handel met het buitenland en zo de val van Castro te bespoedigen. Het huidige Amerikaanse embargo is niet veel meer dan een ongemak dat vooral leidt tot hogere transportkosten voor Cuba, ofschoon Castro regelmatig de vele kwalen van zijn land wijt aan wat in Cuba 'de blokkade' wordt genoemd. Andere landen hebben direct het gat gevuld dat de Amerikanen destijds hebben veroorzaakt.

De werking van het embargo en de amendementen blijkt goed uit een voorbeeld uit de frisdrankindustrie. Sinds de inwerkingtreding van het Amerikaanse embargo tegen Cuba mogen de grootste frisdrankproducenten in de VS, Pepsi en Coca-Cola, geen produkten meer uitvoeren naar Cuba, noch deze lokaal produceren. Pepsico, de moedermaatschappij van Pepsi Cola, heeft deze bepaling tot nu toe omzeild via het Nederlandse concern Heineken. De frisdrankendochter Vrumona van Heineken in Bunnik produceert onder licentie Pepsi Cola die onder andere wordt geëxporteerd naar Cuba. Na het aannemen van 'Helms-Burton' lopen topmensen van Heineken en Vrumona het risico niet langer meer toegelaten te worden tot de VS. In theorie zou de Amerikaanse overheid - voor zover dat al gebeurt in bij voorbeeld kantines - ook geen Heineken-bier meer mogen schenken.

Hoewel het Witte Huis en het Congres nu akkoord gaan over 'Helms-Burton' is een belangrijke bepaling van het amendement vrijwel onschadelijk gemaakt. Dat amendement voorziet in het recht voor Amerikaanse - lees: Cubaans-Amerikaanse - burgers om rechtszaken aan te spannen tegen buitenlandse bedrijven die in Cuba gebruikmaken van onroerend goed dat is onteigend na de revolutie van 1959. Die bepaling blijft weliswaar in het amendement, maar de president krijgt de mogelijkheid om de invoering ervan met telkens zes maanden uit te stellen. Clinton zal ongetwijfeld die mogelijkheid benutten om een wettelijke en handelspolitieke chaos te voorkomen.

Behalve - voorspelbaar - op Cuba heeft 'Helms-Burton' ook in andere landen tot protesten geleid. De Europese Unie, onder aanvoering van de belangrijke handelspartner Spanje, en Canada verzetten zich hevig tegen wat zij noemen “de extra-territoriale werking” van de wet. De vraag is ook wat de Wereldhandelsorganisatie (WTO), waarvan ook de VS lid zijn, zal gaan doen met dit amendement.

Na het wegvallen van de grootscheepse steun uit de voormalige Sovjet-Unie is Cuba sterk afhankelijk geworden van buitenlandse investeringen. De afgelopen jaren zijn die ook drastisch gestegen. In september vorig jaar keurde het Cubaanse parlement nieuwe wetgeving goed die de voorwaarden voor buitenlandse bedrijven om in Cuba te investeren nog aantrekkelijker maakt.

Sinds 1988, toen de eerste Cubaans-buitenlandse joint venture werd opgericht, zijn bijna 250 van dit soort samenwerkingsverbanden gesloten, waarbij het buitenland voor meer dan twee miljard dollar in Cuba heeft geïnvesteerd, vooral in toerisme en mijnbouw. Speciaal Spaanse investeerders hebben zich gestort op de ontwikkeling van het zon-toerisme in Cuba met de exploitatie van hotels, terwijl Canadese firma's betrokken zijn bij de exploratie van nikkel en olie. Nederlandse bedrijven werken onder meer in hotelmanagement (Golden Tulip), nikkel, tabak en suiker. ING, dat in 1994 als eerste buitenlandse bank een vestiging in Havana opende, heeft een deel van de suikeroogst voorgefinancierd.