Romeinse rapper

Catullus: Verzen (Carmina). Vert. Paul Claes. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 200 blz. Prijs ƒ 55,- (geb.).

Veertien woorden telt het beroemdste epigram van Catullus: odi et amo. quare id faciam, fortasse requiris./ nescio, sed fieri sentio et excrucior. Paul Claes, die het verzameld werk van de Romeinse dichter vertaalde, heeft er 21 nodig: 'Mijn haat is mijn liefde. Waarom?/ vraag je. Ik weet het niet,/ maar ik voel het en dat is mijn dood.' De verzen klinken iets minder sterk dan in het Latijn (waarin de weerloze 'ik' zich gemarteld voelt door zijn tegenstrijdige gevoelens), maar wie ze tegen het einde van de bundel tegenkomt, beseft hoe symbolisch ze zijn voor de man die ze schreef. Gaius Valerius Catullus was niet alleen een gespleten persoonlijkheid als minnaar, maar ook als dichter; hij wisselde obsceniteiten af met verheven taalgebruik, polemiek met vleierij, liefdespoëzie met scheldgedichten.

In de literatuurgeschiedenis staat Catullus (ca. 84-54 v Chr.) bekend als een dichter van de categorie 'live fast, die young, and leave a beautiful corpus', een Romeinse Rimbaud die vernieuwende poëzie schreef en na een veelbewogen leven op jonge leeftijd stierf. Zijn muze (en zijn furie) was de tien jaar oudere Clodia, een aristocrate van losse zeden die door hem als 'Lesbia' vereeuwigd werd in hartstochtelijke - en voor zijn tijd zeer persoonlijke - carmina (liederen) van liefde en haat. In het ene gedicht verafgoodt hij zijn geliefde en bejubelt hij hun relatie ('Leven, Lesbia, is liefhebben/ en geen rode duit geven/ om het gebrom van oude heren...'); in het andere maakt hij de kennelijk niet al te monogame Lesbia uit voor alles wat vies en voos is.

Schelden kon Catullus even goed als adoreren. Pruldichters, nouveaux riches, politici, concurrenten - niemand was veilig voor zijn pen. In de niets verhullende metrische vertaling van Paul Claes klinkt de antieke dichter soms als een boze rapper of de hoofdpersoon in een gangsterfilm. Julius Caesar, machtig generaal en tijdgenoot, wordt consequent toegesproken als Koning Flikker. De onbekende Thallus, die iets van Catullus gestolen heeft, wordt beschimpt om zijn 'verlepte lul die vol spinrag hangt'. En een rivaal in de liefde krijgt een laatste waarschuwing: 'ik stop je opengesperde achterpoort vol met radijzen en stekelroggen!'

In zijn voorwoord onderstreept Claes dat we dit soort obsceniteiten niet al te letterlijk moeten nemen: het zijn genre-kenmerken van de satire en het epigram. Catullus schreef het al in gedicht 16 ('Woord en daad'): 'Een waar dichter is fatsoenlijk,/ zijn verzen hoeven dat niet te zijn.'