Promotiestelsel aan de universiteit barst uit zijn voegen

Sinds 1986 moeten jonge onderzoekers aan de universiteit in vier jaar een proefschrift afleveren. Dat lukt de meesten niet, en volgens Jeroen Bartelse is dat geen wonder. De opleiding van promovendi is achterhaald en moet hoognodig worden herzien.

Er wordt gemorreld aan het Nederlands promotiestelsel. Terwijl het uit 1986 stammende stelsel van assistenten-in-opleiding (AIO's) en onderzoekers-in-opleiding (OIO's) nog nauwelijks op de rails staat, wordt nu om financiële redenen de positie van promovendi ingrijpend veranderd. Aan diverse universiteiten worden promovendi aangesteld met een beurs en niet, zoals in 1986 de bedoeling was, met een arbeidscontract.

Protesterende promovendi vragen om een fatsoenlijk promotiebeleid, maar de perspectieven worden er niet beter op. De Tweede Kamer behandelde onlangs een 'Hoger Onderwijs en Onderzoeks Plan' dat schittert door de afwezigheid van aandacht voor onderzoekersopleidingen. Bovendien heeft de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) recentelijk besloten om het werkgeverschap voor Onderzoekers in Opleiding af te stoten. Deze trendsettende organisatie in onderzoeksland heeft ongeveer 2.000 OIO's in dienst. Zij trekt haar handen af van het personeelsbeleid ten aanzien van deze jonge onderzoekers en legt hun lot in handen van de universiteiten. En dat voorspelt weinig goeds.

Universiteiten geven promovendi een beurs, om te ontkomen aan wachtgeldverplichtingen. Deze problematiek ontstaat doordat promovendi moeilijk in staat blijken een promotie in de beschikbare vier jaar af te ronden (slechts zeven procent lukt dat in vier jaar, 35 procent binnen vijf jaar). Daarnaast blijkt dat gepromoveerden niet gemakkelijk een baan vinden. Het aanstellen van promovendi met een beurs lost de financiële symptomen van deze problemen op, ten koste van de jonge onderzoeker. De onderliggende oorzaken - een krappe arbeidsmarkt, een ongestructureerd promotietraject en gebrekkige begeleiding - worden wel onderkend, maar niet aangepakt.

Het tragische van de huidige discussie over de invoering van beurzen is dat zij een deugdelijke analyse van Nederlandse promotiepraktijken in de weg staat. In een fundamenteel debat over de toekomstige rol van de promotie, of het bredere tweede-fase hoger onderwijs, kunnen wellicht eens vraagtekens worden geplaatst bij gestolde ideeën over wat een promotie moet inhouden en welke rol zij kan spelen voor de wetenschap of daarbuiten. Zo'n discussie zou alternatieve oplossingen kunnen genereren in plaats van de deel- of schijnoplossingen die de beurzen-discussie ontlokt.

Wat is eigenlijk het doel van een promotiestelsel? Traditioneel geldt als functie voor het doctoraat: het in stand houden van de wetenschappelijke beroepsgroep. De promovendi kiezen voor een wetenschappelijke loopbaan: zij zouden in een onderzoeksfunctie moeten rollen en op den duur het toekomstige professoraat moeten vormen. Dit maakt het huidige promotiesysteem 'wetenschaps-intern' georiënteerd. Het promotietraject is gericht op het eindprodukt. Promovendi worden beoordeeld op wat er na vier jaar afgeleverd wordt: de proeve van bekwaamheid, het proefschrift. Op zich is hier nog niets aan de hand. Maar kan zo'n systeem voortbestaan als minder dan tien procent van de gepromoveerden daadwerkelijk in de wetenschap terechtkomt? Als in totaal minder dan de helft van de gepromoveerden in onderzoeksfuncties rollen, om deze bovendien na enkele jaren alweer te verlaten? Als veel gepromoveerden überhaupt geen werk kunnen vinden?

Er is een paradoxale situatie ontstaan. Enerzijds vraagt een kennisintensieve samenleving in toenemende mate om hoger opgeleiden - het AIO/OIO-systeem is mede in het leven geroepen om het aantal promoties te verhogen. Anderzijds doet het fenomeen van de overtollige provendus zich gelden. Als maar zo weinigen uitoefenen waarvoor zij een (meer dan) vierjarige inspanning leveren, dan is de vraag of deze opleiding maatschappelijk te verantwoorden is. Het leidt tot kapitaalvernietiging en tot persoonlijke drama's.

Dit verschijnsel beperkt zich overigens niet tot Nederland. Ook in andere landen wordt de promotiepraktijk ter discussie gesteld met een beroep op zorgwekkende arbeidsmarktgegevens. Het tijdschrift Science vraagt om een vorm van 'birth control'. Binnen de Europese Unie komen initiatieven op gang om de aansluiting van vraag naar gepromoveerden en aanbod van promotieopleidingen niet alleen naar volume, maar naar aard beter op elkaar af te stemmen. In de Verenigde Staten is zojuist een grootscheeps onderzoek gestart om loopbaantrajecten in kaart te brengen.

De invalshoeken die hier gekozen worden, stellen in feite de functie van promotiesystemen ter discussie. Aan de orde komt of het promotiestelsel niet haar wetenschapsinterne oriëntatie van zich af moet werpen door, naast de wetenschappelijke loopbaan, ook duidelijk uitzicht te bieden op andere perspectieven van beroepsuitoefening. Het is tijd dat de universiteiten zich bezinnen op de aard van maatschappelijke behoefte aan gepromoveerden, en daarvan de consequenties trekken voor de inrichting van promotieprogramma's.

Allereerst kunnen de inhoud en structuur van het promotietraject ter discussie worden gesteld. Bij een breder beroepsperspectief valt de nadruk meer op het proces van promoveren dan op het produkt, het proefschrift. De vaardigheden die gedurende het promotietraject opgedaan worden, kunnen immers voor uiteenlopende beroepsuitoefeningen ingezet worden. Deze vaardigheden kunnen van academische aard zijn: een theoretische verdieping en verbreding in het vakgebied. Maar ze kunnen ook gericht zijn op de eisen van de niet-academische werkgever: te denken valt aan vaardigheden met betrekking tot besluitvorming over complexe vraagstukken, de communicatie van complexe ideeën naar niet-specialisten, of de vaardigheid om onderzoek in groepsverband te verrichten in plaats van solitair.

Zulke vaardigheden vallen op te doen binnen een gestructureerd, collectief onderwijs- en onderzoeksprogramma. Daarnaast moet er ook ruimte zijn voor een individueel traject, afgestemd op de interesses van individuele promovendi. In zo'n geval biedt het promotiestelsel een breder scala aan trajecten dan nu het geval is. Dit betekent niet dat de huidige praktijk van het schrijven van een proefschrift en de wetenschapsinterne oriëntatie moeten verdwijnen. Een differentiatie van promotieopleidingen kan zowel de wetenschapper in spe als de breder geïnteresseerde academicus herbergen. Een gedifferentieerd promotiestelsel kan flexibel opereren ten aanzien van de arbeidsmarkt en inspelen op de behoeften die er maatschappelijk zijn.

Een ander gevolg van de oriëntatie op een breder beroepsperspectief is de (her)positionering van het promotiesysteem ten opzichte van het wetenschappelijke onderwijs in de eerste fase en van ander postdoctoraal onderwijs. Met de opkomst van levenslang leren, ontwikkelen zich buiten de universiteiten professionele scholen voor postdoctoraal onderwijs. Het is de vraag of deze opleidingen niet een basis in wetenschappelijk onderzoek moeten hebben; en andersom, of het promotiesysteem zich moet onttrekken aan deze ontwikkeling. Kruisbestuiving door integratie van programma-onderdelen is goed denkbaar in een aantal disciplines. Natuurlijk doemt dan ook de vraag op voor welk traject een doctorstitel bestemd moet zijn.

Ten slotte zijn er consequenties voor de organisatie van promotieopleidingen. Binnen het AIO/OIO-stelsel lijkt de onderzoekschool een belangrijke rol te gaan spelen. Deze constructie komt in veel Europese landen op, maar maakt dikwijls nog niet waar wat de naam belooft. Toch is de concentratie van doctoraalsopleidingen binnen zulke scholen een veelbelovende ontwikkeling. Onderzoekscholen maken een differentiatie aan promotietrajecten mogelijk. Door de verzamelde 'massa' zijn zij in staat om een gestructureerd, cursorisch programma-aanbod te ontwikkelen - waarbij ook eens aan curriculum-ontwikkeling kan worden gedaan. Naast het gestructureerde programma kan invulling gegeven worden aan individuele trajecten onder begeleiding van een promotiecommissie. Binnen dit organisatorisch kader komt uiteindelijk ook de wijze van aanstelling van de promovendus aan bod. Duidelijk blijft dat het promotietraject een hybride constructie is: enerzijds een opleiding, anderzijds wordt een volwaardige en aanzienlijke wetenschappelijke produktie geleverd. Welke status gekozen wordt, is uiteindelijk van minder belang; maar jonge academici die kiezen voor deze carrièrestap verdienen een zorgvuldig opgezet promotietraject met een redelijk perspectief op werk. Daarbij dienen zij naar prestatie en inzet beloond te worden en in redelijkheid voor hun - daadwerkelijk te ontvangen - opleiding te betalen.

Wellicht dat het aangekondigde Nationale Kennisdebat van minister Ritzen een mooie aanleiding is om over tweede-fase hoger onderwijs na te denken en een bredere discussie te voeren met alle betrokkenen. Daarna kan door NWO en universiteiten wat meer doordacht gesleuteld worden aan het Nederlandse promotiestelsel.