Pauzes in de hel

André Schwartz-Bart beschrijft in De Laatste der Rechtvaardigen een joodse familie die voor de Poolse pogroms naar Duitsland is gevlucht. “In hen komt het verdwenen Poolse jodendom tot leven om, aan het einde van het verhaal, met hen ten onder te gaan.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

André Schwartz-Bart: De Laatste der Rechtvaardigen. Uitg. Bruna, 307 blz. Prijs ƒ 4,95 bij De Slegte.

Vroeger had het een harde kaft en een rode omslag herinner ik me, maar toen ik het terugvond, op mijn knieën voor een boekenkast bij De Slegte, hield ik een pocket in mijn handen, buigzaam als gummi, en met een schreeuwerige, blauwachtige omslag.

Bijna veertig jaar geleden, in 1959, werd André Schwartz-Bart voor dit debuut bekroond met de Prix Goncourt. Daarna volgde een stilte, er kwamen geen andere boeken meer, tenminste, ik vond ze niet hoe ik er ook naar zocht.

Die stilte heb ik als natuurlijk ervaren. In dat boek stond alles. André Schwartz-Bart had het leven en de dood van de kleine Ernie Levy, 'de Laatste der Rechtvaardigen', op de enig denkbare manier beschreven. En met diens dood, de dood van de joden uit Oost-Europa.

Het kon alleen maar zo geschreven worden.

Het verhaal, dat begint met de voortrazende legende van de 36 Rechtvaardigen 'waarop de wereld rust', houdt pas de adem in bij de geboorte van het kind Ernie Levy, wiens familie kort daarvoor uit het door pogroms geteisterde Zemyock is gevlucht.

Drie generaties Levy bewonen dan een klein huis aan de Riggenstrasze in Stillenstadt: de Oermoeder Judith en de Voorvader Mordechai, hilariteit veroorzakend in de frisse Duitse straatjes met hun voorwereldlijke verschijning, hun enig overgebleven zoon Benjamin en zijn schuwe echtgenote, juffrouw Blumenthal, die ieder jaar een kind baart dat ze behouden mag zolang ze het zoogt (maar het daarna toch moet afstaan aan de Oermoeder Judith) en Ernie Levy zelf, hun op één na oudste zoon.

In stilte wacht Voorvader Mordechai op een teken; zijn geslacht, het geslacht van de Levy's uit Zemyock, zou de twijfelachtige eer hebben een Rechtvaardige in zijn midden te dragen.

Wanneer het kind Ernie Levy op een zonnige zomerdag - het decor van zijn wereld is dan het fascistische Duitsland - de vijand 'aanvliegt' in de belegerde synagoge, 'zo klein dat hij nauwelijks boven de voeten van de bruinhemden uit lijkt te komen', beseft Voorvader Mordechai in een mengeling van vreugde en ontzetting dat zijn kleinzoon Ernie is voorbestemd het lijden van de wereld op zijn schoudertjes te nemen.

De inwijding in het geheim van de Rechtvaardigen van Zemyock dat op die gebeurtenis volgt, veroorzaakt een reeks misverstanden. Ernie Levy begint zich voor te bereiden op zijn onmogelijke taak van 'zachtzinnige', en oefent zich in mededogen. Hij gedraagt zich als een dwaas, vervuld als hij is van de dromen van zijn grootvader Mordechai, met wie hij door een navelsstreng verbonden lijkt.

Teder beschrijft André Schwartz-Bart de kibbelarijen tussen de familieleden, hun joodse stemmen, hun gesprekken met God, hun verdwaasde dromen, hun onuitgesproken liefde voor elkaar, hun eenzaamheid, en hun verbondenheid die àlles overstijgt. In hen komt het verdwenen Poolse jodendom tot leven om, aan het einde van het verhaal, met hen ten onder te gaan. Prachtig zijn de stuntelige theevisites in de huiskamer van de humanist Meneer Kremer, Ernie's leraar Duits, met zijn klasgenootje en eerste liefde, Ilse, 'die een vlinder van blonde haren om haar hoofdje draagt'. En de wandelingen van de twee geliefden langs de oevers van de Schlosse. Pauzes, die onherroepelijk overgaan in een tocht door de hel; een zomerse sjabbesmorgen wanneer Ernie, een van zijn kleine broertjes aan de hand, de synagoge probeert te bereiken. De wreedheden op school. En tenslotte in Ernie's poging tot zelfmoord.

Vlak voor het uitbreken van de oorlog vluchten de Levy's de grens over naar Montmorency, dichtbij Parijs, om daar vol verbazing over het stadje, dat in dezelfde wereld blijkt te liggen als Stillenstadt en Zemyock, nog even van de vrede te mogen proeven.

Maar kort daarna - Ernie Levy, net negentien, is dan soldaat van het verslagen Franse leger - worden zijn broertjes, zijn vader Benjamin, zijn moeder juffrouw Blumenthal, zijn grootmoeder Judith en de Voorvader Mordechai weggevoerd om in rook op te gaan. Als 'wijlen Ernie' keert de jongen in het verhaal terug. Hij heeft zijn menselijke gedaante afgelegd en is 'overgegaan tot hond'.

Rauw vlees etend en hoererend zwerft hij door het vrije gebied van Frankrijk, tot op een dag zijn 'joodse ogen' worden herkend.

Later, terug in het bezette Parijs, ontmoet hij zijn bruid, de manke goudharige Golda. Met haar wandelt Ernie Levy één dag zónder ster door een park in Parijs. De zon schijnt. Ze eten een ijsje. Een paar uur lang zijn ze net als de anderen.

De volgende morgen wordt Golda weggehaald. Ernie volgt haar naar het kamp Drancy. Het einde beleven ze in elkaars armen, omringd door een schare kinderen.

Een paar jaar nadat ik het boek voor het eerst had gelezen, kreeg ik een krantenfoto onder ogen van de stil voor zich uitstarende schrijver. Tegenover hem zat zijn vrouw. Slechts een deel van het onderschrift kan ik me herinneren. Er stond: '... de auteur, en zijn echtgenote, de mulattin ...'

De vrouw glimlachte.

De schrijver had toen al dat monument van liefde voor zijn volk opgericht, dat, wat mij betreft, voor eeuwig tot aan de hemel reikt. En hij had in zijn boek de nabestaanden getroost met de droom dat er, in die bunkers van leugens, waar de Levy's en al de anderen in doodsangst om adem vochten, misschien wel een Rechtvaardige was geweest om het leed op zijn schouders te nemen.

Door eerst dat boek te schrijven en daarna met die vrouw te trouwen, wist ik toen, had André Schwartz-Bart de band met het jodendom verbroken om evenals zijn echtgenote, nóóit meer ergens bij te horen.

Misschien was André Schwartz-Bart wel zèlf de laatste der Rechtvaardigen, die zich na het volbrengen van zijn taak met zijn vrouw terugtrok van de wereld.