'Onjuiste vergunning wordt gedoogd'

ROTTERDAM, 1 MAART. Gemeentelijke milieudiensten gedogen bedrijven die niet voldoen aan vergunningsvoorschriften soms bij gebrek aan juridische expertise en dwangmiddelen. Ook zijn vergunningen vaak ondeugdelijk en is de handhaving ervan moeilijk. Dat zegt de Utrechtse hoogleraar ruimtelijk bestuursrecht P. van Buuren, deskundige op het gebied van vergunningen in het milieurecht.

Ook over de vergunningen van het opslagbedrijf CMI in Rotterdam, waar woensdag een uitslaande brand twee loodsen in de as legde, bestaan twijfels. Bij de brand kwamen chemische chloorstoffen vrij die in het zuidelijk havengebied voor grote overlast zorgden. Inmiddels is de brand volledig geblust. Een rechercheteam heeft vanochtend de boekhouding van het bedrijf in beslag genomen voor een juridisch onderzoek naar de vergunningen en de in de loodsen aanwezige stoffen. De directie van CMI is niet voor commentaar bereikbaar.

In de (petro-)chemische industrie, de afvalverwerkende sector en de vervoerssector voldoet volgens Van Buuren een niet te schatten aantal bedrijven niet aan de maatregelen die hun milieuvergunningen voorschrijven. “Overheden aarzelen met het aanpakken van overtreders van milieuwetgeving uit angst voor het verlies van arbeidsplaatsen en industriële bedrijvigheid”, aldus Van Buuren.

Ook zouden lange juridische procedures de doortastendheid van gemeenten in de weg staan. Van Buuren: “Gemeenten soebatten vaak maandenlang over maatregelen en de termijnen die gesteld worden. De overheid is soms erg lankmoedig.” Volgens een woordvoerder van de Milieudienst Rijnmond in de Rotterdamse haven is moeilijk vast te stellen wat een redelijke termijn is voor het realiseren van maatregelen. Volgens hem verschilt dat per bedrijf en zijn daar nauwelijks richtlijnen voor vast te stellen.

Volgens hoogleraar Van Buuren is de terughoudendheid van milieudiensten het gevolg van de kritische blik waarmee de rechter en de Raad van State hun verrichtingen volgen. Bij beroepsprocedures tegen een dwangsom of de sluiting van een bedrijf moet blijken of een gemeente volgens het boekje heeft gehandeld. Veel gemeenten proberen volgens Van Buuren fouten te vermijden met veel overleg. Tijdens de gesprekken zou de gevaarlijke situatie in het bedrijf worden gedoogd.

“Ook gebeurt het dat bedrijven bij overmacht, zoals dichtgevroren afvoerleidingen of een transport dat op zich laat wachten, meer afvalstoffen opslaan dan volgens de vergunning mag. Dat wordt gedoogd. Maar het meest kwalijk is het als een goed excuus voor het overtreden van voorschriften ontbreekt en dat een gemeente het erbij laat zitten”, vindt Van Buuren.

De onderzoeker denkt dat veel vergunningen al op het moment van verstrekking ontoereikend zijn. “Milieuvergunningen zijn vaak verre van perfect. Ze zijn onduidelijk, niet actueel, juridisch onscherp en de handhaving laat dan vanzelfsprekend te wensen over. De vergunningen worden veelal opgesteld door technisch onderlegde mensen, die van juridische processen weinig weet hebben. De technische voorschriften zijn dan wel duidelijk en daar voldoet de handhaving meestal wel. Maar de mate van handhaving van de voorschriften voor de boekhouding is ontoereikend”, aldus Van Buuren.

Vaak ontbreekt het volgens hem ook aan de actualisering van vergunningen. Bedrijven in de Rotterdamse haven moeten nieuwe vergunningen zelf aanvragen als zij bijvoorbeeld een nieuwe installatie aanschaffen. Volgens Van Buuren doen bedrijven dat soms niet, omdat door vergunningen voorgeschreven maatregelen geld kosten.

In het havengebied zijn tientallen bedrijven gevestigd die met chemische of anderszins gevaarlijke stoffen werken en daarmee een risico vormen. De Milieudienst probeert deze bedrijven te bewegen zich niet te vestigen nabij woonwijken, maar de procedure voor verplaatsing naar andere industriegebieden duurt vaak vele maanden, soms jaren.