Naar Nieuw-Zeeland

Er was eens een meisje en dat meisje heette Annemarie. Ze wou heel graag een keer naar de andere kant van de wereld. Maar haar moeder had geen zin om met Annemarie naar Nieuw-Zeeland te zeilen. Toen had Annemarie een plan. Ze pakte al haar zakgeld en zocht het huis door of er niet ergens nog een dubbeltje lag te slingeren of zo.

Daarna fietse Annemarie naar het station en kocht een kaartje. Ze keek op het bord waarop stond hoe laat de trein naar Nieuw-Zeeland vertrok. Om half twee. Het was tien voor half twee. Dus ging Annemarie nog even naar de kantine om nog een ijsje te eten. Toen was het half twee geworden. Het zou anderhalve week duren voordat ze in Nieuw-Zeeland zou aankomen. Dat had een meneer gezegd. Daarom pakte Annemarie haar telefoonkaartje en belde haar moeder op. WAT! schreeuwde moeder. KOM ONMIDDELLIJK TERUG! Nee hoor, zei Annemarie. En ze legde de hoorn op de haak.

Na anderhalve week kwam ze eindelijk in Nieuw-Zeeland. Annemarie ging zwemmen in zee, voetballen op een veld en paardrijden op een paard en nog veel meer. Na twee weken was Annemarie uitgekeken en stapte ze weer in de trein. En toen ze goed en wel in de trein zat, dacht Annemarie bij zichzelf: Nu ben ik het gelukkigste kind van Nederland en Nieuw-Zeeland!