Misverstanden over lage-lonenlanden

Nederland kampt met een grote angst voor het verlies van banen. En dan vooral banen voor de laagstgeschoolden. Deze angst wordt vooral gevoed door het lage-lonenlanden-syndroom: het LLS. Produktie- en administratieve afdelingen van grote bedrijven zouden naar lage-lonenlanden verhuizen. Schuld is de groeiende kloof in arbeidskosten met landen in bijvoorbeeld Azië of Oost-Europa. In Nederland rest werkloosheid, zeker voor de laagopgeleiden, maar ook steeds meer voor de middengroepen op de arbeidsmarkt. Toppers ter illustratie van deze vrees zijn allerlei 'plaatjes' waarin de loonkosten in Nederland met andere landen worden vergeleken of case-studies als de verhuizing van de administratie van de KLM naar India.

Maar waarom haalt Philips dan een deel van zijn produktie van Hongkong naar Heerlen? En waarom is de verhuizing van de produktie naar Oost-Europa nog steeds niet massaal? Klaarblijkelijk is niet alles even duidelijk. Dit wordt veroorzaakt door zeven misvattingen rond het LLS.

Een eerste en basis-misvatting is die van de regionaal 'communicerende vaten'. Als in een gebied de werkgelegenheid afkalft en elders juist toeneemt, wordt een directe oorzaak-gevolgsamenhang tussen beide verondersteld. De afname van de werkgelegenheid in Nederland en de toename daarvan in Azië wordt vooral als resultaat van herlocatie van bedrijven gezien. Ongetwijfeld speelt dat een rol, maar belangrijker zijn de 'endogene' groeiverschillen. De opkomst en neergang van werkgelegenheid is vooral het gevolg van ontwikkelingen ter plekke: oprichtingen, uitbreidingen, opheffingen en inkrimpingen zonder dat er migratie van bestaande banen aan te pas komt. Er zijn zeker belangrijke verschillen in groeitempo tussen rijkere en armere regio's en landen te vinden, maar zoals uit een recent UNCTAD-rapport blijkt, gaat het maar zelden om het verplaatsen van werkgelegenheid.

In het verlengde van het voorgaande is een tweede misvatting rond het LLS, de veronderstelling dat het bij de in de lage-lonenlanden gecreëerde werkgelegenheid eigenlijk om banen gaat die net zo goed in Europa gevestigd zouden kunnen zijn. Het blijkt echter dat van de nieuwe banen die door multinationale ondernemingen in die landen zijn geschapen, maar liefst de helft ressorteert onder mijnbouwactiviteiten en diensten, zoals banken en hotels. Daar deze vooral gericht zijn op de omstandigheden ter plekke, kan van locatie in Europa geen sprake zijn. Daarnaast is nog een groot deel van de nieuwe banen gericht op lokale markten die wegens handelsbarrières alleen door nieuwe investeringen gepenetreerd kunnen worden. Kortom, bij de nieuwe banen gaat het vooral om de produktie van 'non-tradable goods'.

Een zeker niet onbelangrijk misverstand is de veronderstelling dat lonen de belangrijkste factor zijn voor de uitruil van bedrijvigheid tussen landen. Lonen spelen echter maar een bescheiden rol. Zelfs voor de arbeidsintensieve sectoren als kleding en schoeisel vormen deze maar rond de 30 procent van de produktiekosten. Andere factoren zoals een snel wisselende vraag, kwaliteitseisen, transport en communicatie spelen een belangrijkere rol. Voor andere sectoren vormen arbeidskosten zelfs minder dan 10 procent van de kosten. Bij de produktie van halfgeleiders spreken we over slechts 3 procent en voor kleuren-tv's over 5 procent. Wel worden deze activiteiten ook, en steeds meer, in de zich ontwikkelende landen uitgevoerd, maar arbeidskosten spelen geen dominerende rol.

Bij het angstcomplex van het LLS speelt ook de veronderstelling mee dat lagere lonen tot meer werk zouden leiden. Onderdeel van het LLS is dan ook dat wordt gepleit voor lagere lonen c.q. arbeidskosten. Dit zou in het bijzonder moeten gelden voor de laagstgeschoolden. Loonflexibiliteit, lees: lagere lonen, zou voor deze groep meer werk opleveren. In de Verenigde Staten is deze loonflexibiliteit reeds enige tijd ingevoerd. Dat heeft daar geleid tot een absolute teruggang in de lonen voor de tien procent laagstbetaalden met maar liefst 11 procentpunten. In het met Nederland te vergelijken Duitsland stegen de lonen van deze groep echter met 23 procentpunten. Op dit moment is het reële loon van Westduitse mannen in de laagste groep dan ook twee keer zo hoog als dat van hun collega's in de VS. Op grond van het LLS zou men verwachten dat de werkloosheid onder laaggeschoolden in West-Duitsland duidelijk hoger is dan in de VS. Dit is echter niet het geval. In West-Duitsland zakte het werkloosheidspercentage voor deze groep zelfs terwijl die in de VS steeg. Ondanks de flexibiliteit van de lonen van de laagstbetaalden in de VS leidde dit dus niet tot minder werkloosheid. Andere redenen dan arbeidskosten spelen een rol. Een pleidooi voor lagere lonen om werk te scheppen is aldus op z'n minst ongenuanceerd en kan tot een groot politiek-economisch misverstand leiden. Een misverstand dat tevens maar al te gemakkelijk wordt vastgeknoopt aan het economische succes van lage-lonenlanden.

Een onderdeel van het LLS is ook dat de lage-lonenlanden meer buitenlandse investeringen zouden aantrekken dan landen met hoge lonen. Inderdaad groeien sommige (delen van) landen in Zuidoost-Azië of China zeer sterk. Maar wat de totale buitenlandse investeringen betreft, krijgen de rijkere landen nog steeds het grootste deel. Uit een rapport van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) blijkt dat ook veranderingen in werkgelegenheid vooral aan de rijkere landen ten goede kwamen. In zes thuislanden van internationale ondernemingen stagneerde de werkgelegenheid, maar deze nam toe in andere hoge-lonenlanden.

Bij het LLS speelt ook de veronderstelling van een fundamenteel verschil tussen lage- en hoge-lonenlanden een belangrijke rol. Onder meer op basis van onderzoek van de ILO (International Labour Organisation) blijkt dat de tegenstelling tussen beide gebieden te simpel wordt gesteld.

In de eerste plaats blijken er ook in de kerngebieden sectoren en locaties te zijn die in toenemende mate kenmerken vertonen van de lage-lonenlanden. Ook in hoge-lonenlanden wordt, vaak in het informele circuit, tegen lagere lonen en onder precaire arbeidsomstandigheden geproduceerd. Bij dit alles gaat het overigens niet zozeer of alleen om besparingen op de arbeidskosten, maar vooral om een verbetering van de produktkwaliteit en/of verhoging van de flexibiliteit. Via uitbesteding en toelevering komt de samenhang tussen de formele en informele economie tot stand.

In ruimtelijk opzicht zijn deze ketens van 'subcontracting' op twee locaties aan te treffen. Enerzijds gaat het om steden als New York, Londen, Parijs en Amsterdam. Anderzijds zijn deze samenhangen op het regionaal niveau aan te treffen. Zowel in Japan als in de VS en Europa zijn dergelijke regio's. Deze verstrengeling tussen formele en informele sectoren maakt vaak deel uit van de strategische handelwijze van grote ondernemingen. Het zogenoemde 'derde Italië' waar bedrijven als Benetton, Fiat en Olivetti hun relaties hebben, is hiervan hét voorbeeld. Omdat ook in de lage-lonenlanden vele bedrijven zeer sterk in nieuwe technologieën investeren, lijkt de tegenstelling tussen rijkere en armere landen te verminderen.

Het zevende en laatste misverstand betreft de veronderstelling dat een vraaguitval, veroorzaakt door technologische ontwikkelingen en door concurrentie uit de lage-lonenlanden, zou hebben geleid tot de huidige werkloosheid waarbij vooral de laagstgeschoolden de dupe zijn. De bekende arbeidseconoom Nickell heeft berekend dat de invloed van de vraaguitval op de werkloosheid voor landen zoals Nederland echter niet meer dan acht procent is. Doordat dit percentage ook nog weer zou moeten worden opgedeeld tussen 'technologische ontwikkeling' en 'concurrentie' wordt duidelijk dat een zeer groot deel van de stijging van de werkloosheid in ieder geval niet voor rekening van concurrentie uit de lage-lonenlanden komt.

Bij het LLS gaat het voor een groot deel om misverstanden. En om nieuwe misverstanden te voorkomen. Het is uiteraard niet zo dat de lonen voor de 'lage-lonenlanden' volstrekt geen rol spelen. Ik heb ook niet gezegd dat lonen en herlocatie voor alle bedrijven en sectoren onbelangrijk zijn. Ik heb wel proberen te zeggen dat de angst voor het verlies van banen op basis van het LLS onterecht is. Voor het lage-lonenlanden-syndroom is genezing mogelijk.