Minimumloon en de grauwsluier

Het minimumloon gaat met eenderde omlaag. Dat wil zeggen werkgevers mogen een werknemer binnenkort maximaal twee jaar lang 30 procent onder het wettelijk minimumloon betalen. Op 13 oktober vorig jaar stemde het kabinet in met deze maatregel. De Raad van State heeft het van commentaar voorzien. De Tweede Kamer kan er volgens Melkert na de krokusvakantie over debatteren en als het meezit kan de maatregel komend voorjaar ingaan.

Het percentage laag opgeleide Nederlanders tussen 15 en 65 jaar dat werkt zal er niet veel hoger door worden dan de huidige 45 procent. Met een uitkering zijn ze immers steevast beter af. Een alleenstaande met bijstand verdient netto 85 procent van het netto loon op minimumniveau en die zal niet voor 70 procent van het minimumloon gaan werken.

Voor alleenverdieners is de maatregel nog onaantrekkelijker, want hun uitkering is op het minimumniveau netto gelijk aan het netto minimumloon (ƒ 23.760). De netto netto-koppeling noemen de beleidsmakers in Den Haag deze gelijkschakeling van laagste netto uitkering en netto loon. Als het arbeidskostenforfait, een fiscale beloning voor werkenden van iets meer dan 2.000 gulden, wordt meegerekend verdient een alleenverdiener met een netto minimumuitkering nog steeds 98,6 procent van het netto minimumloon. Minimumloner en uitkeringsgerechtigde zijn elkaars gevangene. De hoge werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt staat volgens het kabinet in de adviesaanvrage aan de SER een bijzondere verhoging van het bruto minimumloon niet toe. Anderzijds acht het kabinet-Kok een bijzondere verlaging om inkomenspolitieke redenen (de uitkeringen moeten dan mee omlaag) eveneens ongewenst.

“In vergelijking met andere landen is in Nederland de afstand tussen uitkering en netto minimumloon gering”, schrijft de Sociaal-Economische Raad in het vorige maand verschenen advies over de (on)wenselijkheid van een bijzondere aanpassing van het minimumloon. Zoals zo vaak bevat ook dit SER-advies een schat aan waardevol statistisch materiaal. In verschillende landen bestaat regelgeving die er op gericht is te voorkomen dat mensen er financieel op achteruitgaan als ze gaan werken. In Denemarken mag een bijstandsuitkering niet hoger zijn dan 90 procent van het minimumloon; in Frankrijk niet hoger dan 80 procent. Nederland heeft zo'n regel dus niet.

Ook in absolute zin is het wettelijk minimumloon in Nederland hoog. Dat het minimumloon in de periode 1985-1995 met 16,4 procentpunt is achtergebleven bij de gemiddelde bruto lonen in de marktsector, doet daar niets aan af. In Duitsland lag het bruto minimumloon in 1993 22 procent lager dan hier, in het Verenigd Koninkrijk 46 procent. De loonkosten (en daar gaat het de werkgever om) in deze landen lagen respectievelijk 24 en 53 procent lager. Alleen in België en Denemarken waren de loonkosten hoger.

Nu zijn er niet veel werknemers die het minimumloon verdienen. Ging het daarbij in 1983 nog om 5,8 procent van de werknemers, in 1993 was dat percentage al gedaald tot 2,3. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft nauwelijks nog functies waar de hoge loonkosten op minimum loonniveau worden goedgemaakt door de produktiviteit van de daarvoor in aanmerking komende laag opgeleide werknemers (onder wie veel allochtonen). Er zijn geen banen voor minimumloners en als ze er wel waren, dan ging (vrijwel) geen werkloze erop af.

In januari was het minimumloon nog een 'explosief dossier'. Om de vier jaar moet de SER adviseren over eventuele bijzondere aanpassingen van het minimumloon. De werkgevers, gesteund door het prominente CDA-Kroonlid Ad Kolnaar, wilden het advies verbreden tot de koppeling van uitkeringen aan lonen. Een totempaal die voor zowel PvdA als de vakbeweging heilig is. Omhakken van de paal zou de arbeidsvrede flink verstoren. Daar wilden de werkgevers kennelijk niet aan. Het advies is daarom nogal mat.

In het SER-advies wordt en passant wel een ander heilig huisje omver getrapt. Ambtenaren en semi-ambtenaren (gepremieerde en gesubsidieerde sector) zijn er in zes van de zeven jaren van de periode 1989-1995 bruto veel harder op vooruit gegaan dan werknemers in de marktsector. Vorig jaar namen de bruto lonen in de collectieve sector bijvoorbeeld met 3 procent toe en in de marktsector met 1,75 procent. Over de hele periode gingen de werkers in de collectieve sector er bruto 31,2 procent op vooruit. Werknemers in de marktsector bleven daar 10-procentpunten bij achter. Hun bruto loon steeg in 7 jaar tijd met 21,3 procent.

Wordt de prijsstijging en de toename van allerlei lasten (belastingen, sociale premies, gemeentelijke heffingen) in beschouwing genomen, dan moeten we constateren dat we er in Nederland sinds 1989 allemaal bitter weinig in koopkracht op vooruit zijn gegaan. Mensen met een bruto jaarinkomen van een ton gingen er gemiddeld per jaar een half procentje in koopkracht op vooruit, de sociale minima gingen er gemiddeld 0,2 procent op achteruit. In de jaren tachtig was het niet veel beter. Nederland zit vast in een carrousel van veel uitkeringen (we hebben na België de meeste inactieve inkomenstrekkers binnen de potentiële beroepsbevolking van 15 tot 65 jaar), hoge belastingen en sociale premies en weinig koopkracht. Via netto netto- en bruto bruto-koppelingen zitten alle inkomens aan elkaar vastgeklonken. Een grauwsluier die elke dynamiek in de kiem smoort.