Leolux kiest Nederland uit principe

Meubelfabriek Leolux gaat nog schijnbaar ouderwets te werk: nauwelijks freelancers en alle produktie in eigen land. Het bedrijf kreeg deze week een prijs voor innovatief beleid en zijn bijdrage aan de werkgelegenheid.

VENLO, 1 MAART. De nieuwste modegrillen van de arbeidsmarkt zijn tot nu toe voorbijgegaan aan Leolux, 's lands grootste fabrikant van zitmeubelen. Bij de Limburgse meubelfabriek zijn uitzendkrachten een nagenoeg onbekend fenomeen en is uitbesteding van werk niet gebruikelijk: het bedrijf heeft eigen schoonmakers, schrijft zelf brochures en bouwt zijn eigen stands op meubelbeurzen. Ook het vervoer van de circa tachtigduizend 'zitplaatsen' die Leolux jaarlijks produceert, gebeurt met eigen vrachtwagens. Corporate identity noemen ze dat in Venlo.

“We zijn een schijnbaar ouderwets bedrijf”, erkennen directeuren/eigenaren J.A.J. Sanders en J.A. van Beek. “Bijna iedereen is in vaste dienst en heeft soms een dubbele taak. De schoonmaakster doet tevens de kantine, de grafisch ontwerper onderhandelt over reclameteksten en de directie schrijft de tekst voor het jaarboek. Daardoor zijn we heel snel, want we hoeven niet te wachten tot een freelancer tijd voor ons heeft. Alleen de ontwerpers komen van buiten. Soms is het wel eens lastig, al die extra zorgen.”

De traditionele werkwijze ten spijt mocht Leolux deze week de Van Lanschotprijs Limburg in ontvangst nemen, een prijs die F. van Lanschot Bankiers jaarlijks uitreikt aan een onderneming in het midden- en kleinbedrijf. De jury noemde Leolux innovatief, sociaal en stimulerend voor de werkgelegenheid. Bovendien is het een financieel gezonde onderneming, die de omzet in de jaren tachtig en de eerste helft van de jaren negentig gemiddeld met 14 procent per jaar zag stijgen. De prijs werd eerder uitgereikt aan onder meer Koninklijke Brand's Brouwerij, Mora Snacks en Aalberts Industries.

De principiële keuze om de meubelen in Nederland te produceren en niet in lage-lonenlanden heeft het aantal banen bij Leolux, dat de afgelopen vijftien jaar vooral door export fors is uitgedijd, doen stijgen van honderdtwintig in 1982 naar ruim vierhonderd nu (circa 45 procent van het personeel is vrouw, op de hogere posities zitten vrijwel uitsluitend mannen).

“Onze hoogwaardige meubelen kunnen alleen hier worden gemaakt”, stellen Van Beek en Sanders. Leolux-meubelen maken in lage-lonenlanden is onmogelijk, naar hun stellige overtuiging. “Niet alleen moet men op de werkvloer begrijpen hoe zo'n ingewikkeld stoeltje in elkaar zit, we zijn ook afhankelijk van bedrijven die goede materialen leveren. Bovendien loopt de produktie van alle modellen door elkaar heen, want we maken niets op serie. Dat vereist enorm veel logistiek denkwerk.”

Met vijftig modellen, vijf varianten per model, tien leerkwaliteiten, twintig stofsoorten en vele kleuren is Leolux tegenwoordig in staat om 1 miljard varianten te fabriceren, heeft de directie uitgerekend. Van de produktie wordt iets meer dan de helft geëxporteerd, vooral naar de Duitstalige landen, België en Frankrijk.

Het is Leolux, dat in 1932 werd opgericht onder de naam Zuid-Nederlandse Clubmeubelfabriek en in 1963 zijn huidige naam kreeg, niet altijd voor de wind gegaan. De enorme inflatie en de energiecrisis aan het eind van de jaren '70 leidden tot een kopersstaking die de meubelfabriek een flinke omzetdaling op de thuismarkt bezorgde. De fabriek in het Duitse Krefeld werd gesloten.

“Er was luiheid en vervetting opgetreden”, aldus Sanders, die samen met Van Beek de fabriek in 1981 van zijn vader en oom overnam. “Het was decennialang te goed gegaan. Leolux was te laat met moderniseren, de collectie zat vast in haar eigen succes, we hadden het 'Jan des Bouvrie'-effect gemist. Sindsdien zijn we uitgesprokener geworden qua marketing en design.” Zo bracht Leolux, bekend om zijn rondgevormde meubelen met leren en stoffen bekleding, vorig jaar onder meer ludieke eetkamerstoelen met 'gezichten' op de markt. Het risico dat negentig procent van de Nederlanders de ontwerpen afschuwelijk vindt, nemen Sanders en Van Beek op de koop toe. “Het gaat ons om die tien procent.”

Hoewel F. van Lanschot bankiers het bedrijf kenmerkte als een gezonde onderneming, met een flink eigen vermogen en een optimaal rendement, heeft ook Leolux te lijden onder de malaise op de woninginrichtingsmarkt. De omzet van de meubelfabriek (circa 90 miljoen gulden in 1995) vertoont al twee jaar nauwelijks groei meer. Dat is deels te wijten aan de populariteit van meeneem-meubelzaken als Ikea, maar ook aan de terughoudendheid van de consument, aldus Sanders en Van Beek. “De consument is ongerust over de sociale voorzieningen op lange termijn en spaart. Verder kiest hij steeds vaker voor dynamiek: een vakantie in plaats van een nieuwe bank.”

De winst wordt grotendeels geherinvesteerd: onder meer in een nieuwe spuiterij, uitbreiding van de stofferingsafdeling en een computergestuurde leersnijtafel. Eerder werden het ontwerpen en stofsnijden al geautomatiseerd. Qua arbeidskosten is Leolux er niet op vooruitgegaan: de automatisering vereist hooggekwalificeerd en dus duurder personeel. Van Beek: “Het voordeel zit 'm in het feit dat de computer minder fouten maakt en de stof beter benut. Alleen al aan leer, dat ons jaarlijks 17 miljoen gulden kost, scheelt dat 5 tot 10 procent. Bovendien heb je minder afval.” In 1994 kreeg Leolux een milieuprijs omdat het vrijwel alle afval hergebruikt.

Als een van de weinige goedlopende meubelfabrieken in Nederland wordt Leolux, aldus Van Beek en Sanders, regelmatig benaderd door minder florerende meubelbedrijven: of ze iets zien in een overname. Tot nu toe hebben ze 'nee' gezegd. “Wat moeten we met een fabriek die ook moderne zitmeubelen maakt?” Wel nam Leolux vorig jaar een belang van 26 procent in de kwakkelende kastenfabrikant Pastoe, het eerste stapje 'buiten de deur' in het bijna 65-jarig bestaan van Leolux. Een strategische zet, aldus de directie. “Eigenlijk waren we niet zo geïnteresseerd in Pastoe als produktiebedrijf, maar die kasten zijn handig voor de presentatie in onze designcenters. Bovendien hoeven we nu geen geld te steken in de ontwikkeling van kasten. Verder zouden we het jammer vinden als zo'n mooi merk verdwijnt.”

Van Beek en Sanders bezweren dat ze Pastoe niet helemaal in bezit willen krijgen. “We willen zo'n creatief en kleurrijk bedrijf niet te veel voor de voeten lopen.”