Krantedieren

Hollands Maandblad 1996-2, 'De krant'. Veen, 40 blz.ƒ 9,25

“Literatuur weerstaat de tijd, terwijl de krant nauwelijks de waan van de dag overleeft”, maar “Hollands Maandblad gaat de krant niet uit de weg”. Dit in 1959 nog wel door een meneer van de krant opgerichte literaire tijdschrift besteedt een speciale aflevering aan 'de krant'. Het week- en dagblad: volgens velen hoe langer hoe meer direkte concurrent van het literaire tijdschrift, die het tijdschrift volgens een enkeling zelfs overbodig zou hebben gemaakt. De dood van het literaire tijdschrift, het zal er wel net zo'n vaart mee lopen als met de al zo vaak aangekondigde dood van de roman. Of die van de gedrukte krant.

Want welke krant publiceert gedichten? Veelbelovend proza van jonge debutanten? Vertalingen van meer of minder bekende, vaak hoogst belangwekkende buitenlanders? Liefdevolle, niet om den brode geschreven essays, portretten, of diepergravende artikelen? En hoe váák staat er nu helemaal verhalend proza in de krant? Hoe lang blijft er in de journalistiek nog plaats voor het minder snelle werk op het gebied van de literatuur? De literaire tijdschriften zullen wel met liefde weer de schrijvers in hun midden opnemen die ze eigenlijk nooit kwijt zijn geweest. En als ze dan op hun beurt zelf soms wat sneller reageren op de actualiteit en er niet hautain boven willen staan komt het met de enigszins teruggelopen lezersaantallen van de tijdschriften (oplagen tussen 1000 en 10000) vermoedelijk ook wel weer goed. Sinds 1945 bestaan en bestonden er zo'n 220 literaire tijdschriften in Nederland - geen quantité négligeable. Ze zijn, doordat ze uit pure gedrevenheid gemaakt worden, net zo onuitroeibaar als kattestaarten in een gazon: voor elke die je eruit trekt of wegmaait komt er geheid tenminste één terug. Voor kranten geldt dat niet.

“Zelfs de meest veeleisende literaire lezer kan niet meer buiten de laagdrempeligheid en de vluchtige consumeerbaarheid die de journalistiek eigen zijn” schreef Bastiaan Bommeljé anderhalf jaar geleden in deze krant over de concurrentie tussen dagbladen en de literaire tijdschriften. En: “Als literaire tijdschriften een toekomst hebben, ligt die in het contrast met de culturele lawaaioverlast van onze tijd. Als zij een taak hebben, is het te bewijzen dat de shit threshold, de kwaliteitsdrempel, altijd hoger kan dan de lezer denkt”. Daarna werd Bommeljé redacteur van Hollands Maandblad, dat hij vervolgens verjongde, verfriste en verbeterde met behulp van.... columnisten en journalisten. Max Pam, H.J.A.Hofland, Sylvain Ephimenco, Arnon Grunberg, Liesbeth Koenen, Martin van Amerongen, Ileen Montijn, Tracy Metz, Hubert Smeets, Hugo Brandt Corstius, Karin Spaink; zij allen schreven voor het Maandblad, en het werd er leesbaarder van. Niks oppervlakkiger of vluchtiger, journalisten passen zich natuurlijk aan het medium aan, als volleerde W.F.Hermans' 'hoernalisten', en de verhalen, gedichten en de onkranteachtiger stukken zijn lekker gebleven. 'Hollands Maandblad gaat de krant niet uit de weg' - nee, inderdaad.

Wat denken krantedieren als Wout Woltz, Hofland, Ephimenco, Van Amerongen, Pam en literatuurcriticus Arjan Peters in dit themanummer over de toekomst van 'de krant'? Historicus M.C. Brands beukt met enkele steekhoudende en heel veel zacht gezegd aanvechtbare argumenten de Nederlandse nieuwsvoorzieners de grond in. Hij wrijft de journalistiek 'verhollandsing' onder de neus, en verkinderlijking, een overmatig kritische houding gecombineerd met een hinderlijk gebrek aan kennis, gemakzuchtige subjectiviteit, de 'konijnenplaag' van het columnistisch kwaad, afwezigheid van leermeesters, opleidingen tot verschraling op de scholen voor journalistiek, en ook nog een traditie in het schrijven van fluttige necrologieën. “Gisteren is voor velen al heel ver weg en onze journalistiek is gebaseerd op de geheugenloosheid van de lezer.” Maar toch, concludeert hij onverklaarbaar: 'de geschreven journalistiek mag er zijn in Nederland.'

Wout Woltz nam de spotprent voor zijn rekening en stelt vast dat de politieke tekenaars het nu alles zo goed en paars is het niet gemakkelijk hebben. Bovendien heeft het echte beledigen meer effect in schrift dan getekend, zo blijkt.

Martin van Amerongen voelt zich grof beledigd door de stortvloed aan televisiereclames voor maandverband en inlegkruisjes. Hij beschouwt het inlegkruisje als een metafoor in medialand, 'een metafoor voor de onbeheerste wijze waarop men koste wat kost probeert onze aandacht te trekken'. Zijn bijdrage is één grote oproep aan fabrikanten en reclamemakers om vooral te kiezen voor adverteren in dag- en weekbladen, omdat die in veel mindere mate zou irriteren. De lezers van het 'nobele produkt' krant vormen een 'kostelijke doelgroep' waar de adverteerders meer aan kunnen verdienen dan aan de tv-kijkers via de jaarlijkse 200.000 reclamespots. “Wij slagen er in Nederland niet eens in één behoorlijke speelfilm per jaar te maken, dus in welke afgronddiepe wateren moet de vaderlandse reclamewereld vissen om de kijker 200.000 maal dertig seconden te boeien, te stichten, te amuseren of desnoods op een informatieve manier voor te lichten?”

Bommeljé vindt het spijtig en kwalijk dat er in Nederland geen serieuze dagbladjournalistiek bestaat. Televisieprogramma's worden gerecenseerd, de literaire tijdschriften, ook de weekbladen, maar nergens de dagbladen. Een kritische rubriek in de krant over andere dagbladen lijkt hem fantastisch. 'Journalisten houden niet van kritiek' zegt hij, maar misschien houden journalisten nog minder van zelfbevlekking.