Ik heb het leven bij zijn lurven; Gesprek met J.J. Voskuil

Bijna vijf jaar schreef J.J. Voskuil aan de 5500 pagina's tellende romancyclus Het Bureau, de opvolger van zijn klassieke roman Bij nader inzien. Deze week verschijnt 'Meneer Beerta', het eerste deel waarin Voskuil zijn werk op het Amsterdamse P.J. Meertens-Instituut beschrijft. “De les van Het Bureau is voor mij dat mensen betrekkelijk onmogelijk zijn in hun gedrag tegenover wie om hen heen bestaan.”

J.J. Voskuil: Het Bureau 1, Meneer Beerta. Uitg. G.A. van Oorschot, 767 pag. Prijs: ƒ 69 (geb. ƒ 99). Dit jaar verschijnt deel 2: Vuile handen. De volgende delen verschijnen per jaar, tot en met deel 6 en 7 in 2000.

J.J. ('Han') Voskuil (1927) kruist zijn armen. Een jongen met grijs haar. “Ik ben geïnteresseerd in mensen, want ik schrijf uit angst. Ik kijk waar het gevaar schuilt: in de mensen, dus. Ik voel me verwant met Gerard van het Reve. Niet met die van nu, die kan ik niet meer lezen, die geloof ik niet meer. Nee, die van De avonden, van Op weg naar het einde, met de jonge Van het Reve dus, die ernst van het leven maakte. En met het werk van C.P. Snow, kent u dat? Die heeft ook geen belangstelling voor verzonnen mensen.” Op een ander moment in ons gesprek licht Voskuil het ontbreken van de grens tussen schijn en werkelijkheid in zijn boeken nog nadrukkelijker toe: “Ik zeg 'ik' en 'Maarten' door elkaar, dat is hetzelfde.”

'Maarten' dat is Maarten Koning, hoofdpersoon uit de beide boeken die Voskuil schreef, Bij nader inzien (1963) en Het Bureau, de zevendelige roman waarvan een eerste deel dezer dagen is uitgekomen. De keuze voor 'Maarten' en tegen een ik-figuur in die boeken is een inhoudelijke: “met 'ik' had ik door moeten stoten naar Maartens brein. Dat had te veel afgeleid”.

Dat Voskuil zelf model stond voor Maarten wist ik, dat hij geen onderscheid maakt tussen zichzelf en zijn literaire creatie had ik al meermalen gelezen. Maar nu, na lezing van het eerste deel van Het Bureau, schokt het me toch. Dus hier in het winterlicht, grijs binnengekaatst door het ijswater in een Amsterdamse gracht, hier, om de hoek van deze donkerbruine, geleefde houten tafel, zit de 'ik' achter de honderden pagina's die ik de afgelopen weken heb ingedronken: de verstolen emotionele Maarten Koning die ik al ontmoet had in Bij nader inzien. In Het Bureau trof hij als eens zo gevoelig. Snel tot tranen toe geroerd door heel kleine observaties, bijvoorbeeld wanneer hij ziet hoe twee mensen bij het instappen in een tram terugdeinzen voor twee uitstappers. “Ik begrijp die gevoeligheid zelf niet. Het gebeurt me bij kleine concrete handelingen, als ik iemand op een bel zie drukken, bijvoorbeeld. Misschien komt het doordat het leven daar zijn gewone gang gaat, zonder opsmuk.” Voskuil brengt het in verband met het werk van zijn geestverwante, de schrijfster Frida Vogels. Zij stond model voor de figuur Henriette Fagel uit Bij nader inzien, een van de weinigen die hem overbleven uit de studievriendenkring die hij in dat boek beschreef en aflegde. Ook Vogels ging het leven te lijf met de literatuur. In haar indrukwekkende drieluik De harde kern treedt Voskuil op zijn beurt op. “Ik ben bang voor gevoelens”, zegt Voskuil “en Frida ook. Ze zijn te groot voor ons, ze zijn vormeloos en ze breken zomaar door. We zoeken allebei naar duidelijkheid over hoe we ons kunnen bewegen in de maatschappij. Alleen doe ik het klassieker. Ik schrijf met uitgestrekte arm, zij dicht op de huid.”

Paradijs

Doodsbenauwd voor het leven is Maarten Koning, zwaar gedesillusioneerd na zijn studententijd die hem even het idee gaf te verkeren in een paradijs vol gelijkgestemden, gevlucht in een betrekking bij het Bureau voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Waarom die baan? Het antwoord wordt in het eerste deel van Het Bureau vele malen opnieuw gegeven: omdat het zinloos werk is, of, zoals Maarten het formuleert: 'Als er één uithoek was in het Nederlandse wetenschappelijk bestel, zonder enige pretentie, dan was het deze'. Alleen zinloos werk biedt voldoende bescherming tegen de wereld en haar eisen, alleen zinloos werk kan behoeden voor een uitgezogen, leeg bestaan. Maar ook zinloos werk eist aanpassing en knieval, leert Maarten al in de eerste jaren van zijn aanstelling.

Dertig jaar lang, van 1957 tot 1987, werkte Voskuil bij bovengenoemd Bureau, dat later werd omgedoopt tot het P.J. Meertens-Instituut. Het grootste deel van die tijd functioneerde hij er als hoofd van de afdeling Volkseigen, en deed hij onderzoek naar curieuze cultuurgrenzen, bijvoorbeeld voor de manier waarop boeren omgaan met de nageboorte van een paard en voor het geloof in kabouters. Zulk onderzoek heeft hij enthousiast uitgevoerd uit behagen om “de kleinste onbenulligheden fanatiek uit te vorsen. Wetenschap bedrijven is fascinerend, zolang het niet vervuild wordt doordat het status verleent en een onevenredig hoog salaris. Op dat moment taant de belangstelling en krijg je de verkeerde medewerkers. Die zal het allemaal een zorg zijn. Ze hebben een baan en ze rommelen wat aan. Daardoor zijn de meeste publikaties van het Instituut onleesbaar en zonder belang.”

De dertig jaar op dat instituut krijgen nu plotseling zin door het omvangrijke literaire werk dat Voskuil eraan ontleende. Met grote halen, met evenveel gevoel voor kil drama als voor potsierlijke ogenblikken en met een ongeëvenaard instinct voor de details van menselijk gedrag en gedraai, geeft hij weer wat Maarten Koning jaar na jaar zag, hoorde en deed op het Bureau en hoe de kleine familie- en vriendenkring om hem heen daarop reageerde. Althans, zoveel kun je zien in het eerste deel van zijn boek. Pas in jaar 2000 zal blijken waar het heen gaat, of het ergens naartoe gaat. Dan zullen alle zeven delen, samen ruim 5500 pagina's groot, van Het Bureau gepubliceerd zijn.

Het eerste deel wordt gedomineerd door Maartens directeur Meneer Beerta, die als een charmante, middelbaar-malicieuze tovenaar zijn ondergeschikten manipuleert.

'Dag Maarten,' antwoordde Beerta. Hij deed zijn spiegeltje terug in zijn binnenzak (-). 'Ik heb gisteren voor het eerst van mijn leven gekanood. Het was een openbaring.'

'Gekanood?' Hij keek opzij. Hij kon zich Beerta niet in een kano voorstellen. (-)

'Ja, maar dit was met een jongen,' zei Beerta geamuseerd. Hij wipte even op zijn tenen.

(-) 'Wat had u dan aan?' Hij kon zich Beerta niet in sportkleding voorstellen.

'Dit,' hij maakte een kokette beweging. Onder een lichtgrijs zomerpak met zijn gewone rode das droeg hij een opzichtige witte slipover die Maarten nog niet eerder was opgevallen.

'En hebt u daarin geroeid?' vroeg Maarten ongelovig.

'Ik heb niet geroeid! Die jongen heeft geroeid!'

'Dan was het een roeiboot'.

'Nee, het was een k-kano. Volgens die jongen was het een k-kano.' Hij glimlachte geamuseerd.

'Hoe roeide die jongen dan?'

'Zo', hij draaide een beetje met zijn handen voor zijn borst, of hij een knot wol opwond.

Op dat ogenblik ging de deur open. 'Weet jij iets van Ansing?' vroeg juffrouw Haan in de deuropening.

Beerta liet zijn handen zakken en keer haar glimlachend aan. 'Is hij er niet?'

'Hij is er niet' antwoordde ze ontevreden. 'Wat zie je er weer verschrikkelijk uit. Kun je nou echt niet iets anders aantrekken op jouw leeftijd?'

(-) Ze deed de deur achter zich dicht. 'Mevrouw Haan heeft een oogje op je', stelde Beerta vast. Hij trok zijn stoel terug en ging achter zijn bureau zitten. 'Op mij is ze nu eindelijk uitgekeken.'

Aanvankelijk is meneer Beerta een vaderfiguur voor Maarten. Maar Beerta wil liever een jongen blijven. Geen vader dus, maar een vriend. In bovenstaand fragment, uit het hoofdstuk 1961, is hij als vriend voor Maarten al door de mand gevallen. Tenslotte ontwaart, en waardeert, Maarten 'een nozem' in Beerta. Bij diens afscheid schenkt hij hem een single van The Beatles.

Mijnenveld

Het Bureau wordt bepaald door dialogen. Ze omhelzen de scènes en gaan tersluiks in op de mijnenvelden die mensen onafgebroken voor elkaar aan het leggen zijn. Alle sprekers zijn accuraat weergegeven, hun woorden precies genoteerd, stelt Voskuil steeds opnieuw vast. “Als ik zit te schrijven, hoor en zie ik ze praten. De dialogen rollen eruit.” Aan verdichten van gebeurtenissen of samenvoegen van personen deed hij niet. “De realiteit die ik oproep is uitgedund: wie ik zie, hoort erbij. Hoor ik iemand niet dan laat ik hem weg. Wie zichzelf herkent zal zich incompleet weergegeven vinden, en dat klopt. Ik zoek in elk mens een patroon. Gebeurtenissen hebben geen invloed op mensen, gebeurtenissen bewegen, mensen niet. Dat bevalt me. Sinds de oorlog heb ik geen behoefte meer aan activiteit. In de oorlog leerde je nietsdoen, daar was je maanden lang toe veroordeeld. Ik kan nog altijd uren in een rij staan. Niets vind ik zo fijn als een begrafenis. Niet dat ik graag iemand naar zijn graf begeleid, maar dan kan ik weer een hele poos stilstaan. Het liefst had ik dat Onze Lieve Heer nu de zaak stil zette. Niemand er meer bij of af en allemaal kalm op zoek naar zijn eigen groep verwante geesten. Die rust, dat lijkt me prachtig. In mijn boek heerst ook nu en dan stilte. Daar moet je doorheen: niks aan te doen, lees maar door. Bij het schrijven denk ik nooit aan lezers. Pas achteraf realiseer ik me dat die er zullen zijn en dat die wellicht bij het lezen zeggen, die man is gek. Dat zou toch kunnen. En ik denk in navolging van Auden: laat ze lezen, laat ze me niets over mijn boek zeggen. Toen ik het mijn uitgever Wouter van Oorschot liet lezen, zei ik: zeg gerust nee. Voor mij heeft het boek zijn werk gedaan.”

Hoe de vracht van dertig jaar informatie werd geordend, vat Voskuil samen als 'voorbereiding': “Op pagina 15 is Maartens vriend Klaas ontdaan als hij hoort dat Maarten voor Beerta gaat werken. Op pagina 4000 komt Maarten erachter waarom.” Aan schema's maken deed hij niet. “Ik loop van punt naar punt volgens een plan dat ik in mijn achterhoofd heb.” Hoe groot dat achterhoofd dan wel niet is, vraag ik. “Ja, dat verbaast mij ook. Ik ben maar één keer vergeten iets voor te bereiden. Ik moest het achteraf inpassen. Broddelwerk is dat geworden. En ik heb één clou voorbereid die ik niet heb kunnen inlossen; die paste niet meer. Maar voor de informatie die ik bied sta ik garant, elke beweging is gezien, niet één scène verzonnen. Wel heb ik voor de afwisseling de chronologie hier en daar doorbroken. Soms voegde ik iets toe, maar altijd binnen een karakter. De essentie van elke passage is waar.”

Crisis

Vier jaar lang, vanaf 7 september 1990, schreef Voskuil aan Het Bureau. Hij voltooide tussen de 80 en 150 bladzijden per maand. “Ik kan zes uur achtereen schrijven. Dan ben ik helemaal weg. Fijn vind ik dat: ik kijk op en verbaas me waar ik ben. Ik schreef over de winter en het was ineens zomer.” Als geheugensteun had Voskuil beschikking over jaarverslagen en notulen van het Instituut. Ook houdt hij zijn leven lang al een dagboek bij, maar dat was beperkt bruikbaar: “Ik schrijf er alleen in, in tijden van crisis. De rest moest op het geheugen. Maar mijn boeken zijn geen memoires. Memoires zijn vervelend om te lezen. Gladgetrokken werkelijkheden, een valse weergave van hoe goed je wel niet functioneerde. Ik schrijf geen autobiografie, ik zoek de oplossing voor een autobiografisch probleem. Ik zoek evenwicht in mijn leven en het enige instrument dat ik tot mijn beschikking heb is het nauwkeurig beschrijven van gedrag. Het mijne en dat van wie mijn omgeving bepaalde. Alle mensen die bij me zijn geweest, blijven bij me. Ook de klieren. Dat schenkt voldoening: ik heb het door, ik heb het leven bij zijn lurven.”

Na de 1200 pagina's van Bij nader inzien waarmee hij zijn wanhoop over verloren vriendschap had getemd, was Voskuil vastbesloten geweest nooit meer een boek te schrijven. Maar zo'n vijfentwintig jaar later bleek opnieuw een boek nodig om nader te bezien wat hem overkomen was: “Uiteindelijk moet je de deksel van je kist met een gerust hart kunnen laten zakken, moet je met je leven in het reine zijn. Met Bij nader inzien had ik het idee van vriendschap afgelegd. En nu was ik toch opnieuw uitgekomen op een illusie. Tegen beter weten in.”

Dat illusies blijven lokken, wijt Voskuil aan een opvoeding in het socialistische geloof. “Ik heb een geweldig vertrouwen in de mens meegekregen, ik wil met andere mensen verkeren. Tegelijk voel ik me zwaar door hen bedreigd. Wat dat betreft ben ik erfelijk belast. Mijn vader was hoofdredacteur van het Vrije Volk maar op de redactie kwam hij niet, want hij durfde zijn kamer niet af. In de oorlog is mijn argwaan versterkt. Niemand was meer te vertrouwen, zelfs de buren niet - die waren lid van de Grüne Polizei.

“Toch geloof ik niet in mensen die voor eigen rekening opereren. Mensen willen samen in gebouwen zitten. Na zich 15 jaar te hebben teweergesteld, erkent Maarten dat hij deel uitmaakt van het Bureau en omgekeerd. Maarten stelt als afdelingshoofd zelf zijn groep samen en als het even kan neemt hij een kneus aan. Hij gaat zich in steeds sterkere mate verantwoordelijk voelen, hij gaat allengs meer uit van hun loyaliteit.

“Ik weet heel snel wie ik kan vertrouwen, dat is zelfbescherming voor iemand met een dunne huid. Ik gebruikte mijn groep als schild, deze mensen werden figuranten in mijn eigen centraal probleem: hoe gedraag ik me, wat kan ik verwachten. Maartens afdeling sluit zich hermetisch, contact met andere afdelingen wordt vermeden. Er mocht niets meer veranderen. Het liefst had ik de deur gesloten. In die groeps-idylle gelooft Maarten: toetreden is voor altijd, op de schouders van zijn groep zal hij naar zijn graf worden gedragen. Maar er is nooit iets voor altijd. Wie ziek wordt zal men links laten liggen en wie met pensioen is gegaan moet wegblijven en nooit meer terug gaan, zelfs niet voor even. Dat wordt niet gewaardeerd, want je hoort er niet meer bij.”

Op de laatste bladzijde van Meneer Beerta, na diens afscheid als directeur, beschrijft Voskuil hoe Maarten probeert alles bij het oude te laten. Hij nodigt Beerta uit van hun gemeenschappelijke kamer gebruik te blijven maken en hij weigert in te gaan op het voorstel van zijn gewezen baas om elkaar nu te tutoyeren. Daarmee kwetst hij Beerta echter meer dan diens opvolger, die zonder pardon het 'directiezitje' is komen wegslepen.

Voskuil zelf heeft zijn pensioenering ondergaan als uitstoting uit wat hij weer had beschouwd als een gezelschap voor de eeuwigheid. “Onthutsend was het. Nog maanden erna woedde er onweer in mijn hoofd. Flitsen van vroeger, gebeurtenissen uit het verleden doken in chaos op en namen obsessionele vormen aan. Ik ben gaan schrijven om orde te scheppen in het losse zand van die honderden herinneringen. Door ze te noteren hoopte ik het verleden met een slag te draaien en te ontdekken hoe ik me zo had kunnen vergissen. Hoe het mogelijk was geweest dat ik de leden van mijn afdeling veel meer vertrouwen had geschonken dan redelijk was. Al schrijvend ging ik de rimboe in. Zou ik daar het licht bereiken, dan zou ik inzicht krijgen in wat me overkomen was. Dat is gelukt met dit boek. Nu heb ik alles op een rij en heb ik er vrede mee. De mensen van Het Bureau zijn me onverschillig geworden. Ik hoor niet meer bij ze. De weg ligt open voor een nieuwe idylle: de volstrekte onafhankelijkheid.”

'Figuranten' noemt hij de mensen die hij beschreef in Het Bureau, omstanders wier gedrag hem het zijne moest verduidelijken. Maar je kunt je afvragen of al die figuranten even blij zullen zijn met de manier waarop Voskuil ze beschreef. Hij beschouwt die vraag als niet ter zake doende. “Het gaat me om zelfverheldering, niet om iemand onderuit te halen. Om een groep, niet om afzonderlijke individuen. In Bij nader inzien lag dat anders. Op die mensen was ik zo gesteld, die kende ik zo goed. Van elk van hen wist ik precies hoe ze zouden reageren in wat voor situatie dan ook. Maar daar werd ik verraden, Het Bureau draait alleen om mijn eigen stomme gedrag. Nooit verwerp ik iemand, ik noteer hoe ik een ander heb ervaren. Die aandacht is een bewijs van mijn sympathie.”

Ik zeg te betwijfelen of ik dat mee kan voelen. In Het Bureau wordt in mijn ogen vooral Maartens echtgenote Nicolien onbarmhartig afgeschilderd. Ze doemt onveranderlijk op als een verkrampte vrouw die bij iedere inbreuk op haar principes aan het blazen slaat als een kwaaie kat om vervolgens steevast in te schikken. Voskuil is oprecht verbaasd: “Ik weet geen antwoord. Ze is zoals ze is en ik moet haar zo beschrijven. Ze lost een schot voor de boeg, ze is solidair, ze wijkt en ze vaart door met het schip. Ze is nu eenmaal een tegenstander van het Bureau en het is Maartens probleem dat ze in zekere zin gelijk heeft met haar bezwaren. En ze kan meesterlijk iemand klem zetten. Hun ruzies zijn zo typerend dat ze me ontroeren. Ik schrijf ze met plezier op, niet uit onbarmhartigheid. Ook zijzelf zal het niet me u eens zijn.”

Kwetsen

Maar wat als een beschrevene moeite heeft te leven met zijn optreden in Voskuils werk?

Een geïrriteerde trek maakt zijn gezicht ineens oud. “Het gaat niet om hen, het gaat om mij. Om te kunnen leven moet ik beschrijven wat ik heb geleerd van het contact met anderen. De algemene les van Het Bureau voor mij is dat mensen betrekkelijk onmogelijk zijn in hun gedrag tegenover wie om hen heen bestaan. En het is ook mijn leven: laten zij zich maar realiseren wat ze mij aandeden. Ik wil niemand kwetsen. Dat is de bedoeling niet. Ik beschrijf mensen zo eerlijk als het me gegeven is. Is iemand wreed of hardvochtig, dan zal ik dat niet met de mantel der liefde bedekken. Zo was het, denk ik vaak, terwijl ik schrijf en als ik herlees. Meestal vonden de betrokkenen dat alle anderen perfect beschreven zijn, maar zijzelf net niet. En uiteindelijk zijn bijna alle vrienden van Bij nader inzien tot het boek bekeerd. Voor mij spreekt dat vanzelf. Van 'Flap' kreeg ik na 10 jaar een brief: voor het eerst heb ik het gevoel dat ik iemand ben geweest en daar ben ik dankbaar voor. Van 'David' na 25 jaar: ik heb je boek herlezen, je laat me meedogenloos zien in al mijn ploertigheid en ik vind het prachtig. Dat ik zelf voorkom in de boeken van Frida Vogels beschouw ik als een voorrecht. Daar draait het leven om: om het weten wie je bent; om een bijna religieuze vorm van verantwoording afleggen voor jezelf.”

Maarten Koning houdt zichzelf niet buiten schot. Voskuil beschrijft hem regelmatig als een boosaardig, soms agressief mens. “Het is niet erg om officieel kwaaie eigenschappen te hebben, als je ze maar ter discussie stelt. Wie daartoe niet bereid is, is gevaarlijk. Zulke mensen kunnen alles doen en het vervolgens verdoezelen. De mensen zouden zo met elkaar om moeten kunnen gaan dat ze, zonder het ooit eens te worden, hun vijanden de hand kunnen schudden. Dat is alleen mogelijk als je de kans krijgt elkaars waarheid onder ogen te zien. Ik zou me niet zo bedreigd voelen als meer mensen zouden zeggen, zus en zo zit ik in elkaar. Ik vind dat ik die eis mag stellen in ruil voor mijn sympathie. Dat is idioot, wordt me meestal voorgehouden. Slechts enkelen begrijpen me - en dat zijn mijn vrienden.”