Idealisten en profeten

Het liefste boek ooit geschreven is van Victor E. van Vriesland. Het verscheen in 1920 bij Uitgeversmaatschappij 'De Waelburg', Blaricum. Het heet Herman Hana, geschetst in zijn beteekenis als schakel naar een nieuwen tijd. Van Vriesland was 28 toen het uitkwam, Hana 46. Zij waren vrienden en woonden vlak bij elkaar in Blaricum, Van Vriesland in een villa, Hana in een 'hutje', zo'n kunstenaarshuisje als toen in de mode was in Het Gooi. Het boek werd overigens in oktober 1918 voltooid, vóór Van Vriesland zich in Blaricum vestigde.

Hij doet alle moeite en neemt alle tijd om uiteen te zetten wat de oudere vriend beoogde en bereikte, als sierkunstenaar, uitvinder, tekenleraar, portrettist, bloemenschilder, architect, voegt verzen van Hana in, geeft een indruk van de wijze waarop Hana zijn dromen vertelde, soms voor wel 80 personen, vijf kwartier lang...

Idealistische en frivole jaren daar in Het Gooi. Lien Heyting heeft er (1994) een prachtig boek over geschreven, De wereld in een dorp, en de erg vergeten Herman Hana (1874-1952) komt er bescheiden en sympathiek in voor.

Ik heb Van Vriesland in zijn late jaren goed gekend, en hij was een bijzonder onpraktisch man. Met verbazing las ik zijn beschrijving van Herman Hana's uitvinding: “een ornamentmachine, - een bewegend stelsel van lenzen, spiegels, prisma's, die in oneindige hoeveelheid en oneindige combinaties gekleurde, streng-geometrische ornamenten mechanisch ontwerpt en op het doek projecteert, welker veelvormige schoonheid en verrassende veelvuldigheid de onuitputtelijkste fantaisie te boven gaat”.

Ook aan het 'stempelwerk' van Hana besteedt Van Vriesland aandacht en gaat in zijn lofprijzing ver: “Waar Cézanne onbewust in de schilderkunst een aarzelende aanvang maakte, daar heeft hij (Hana dus) een bewuste, klaar doordachte revolutie in de ornamenteerkunst gebracht. Vanuit de zelfgevonden grondslagen zijner mechanistische techniek heeft Herman Hana onze kunstnijverheid de nieuwe banen naar de toekomst gewezen.”

Aan 'huizen gieten' heeft Hana gedaan, samen met een neef die hem bedroog, bouwen in gewapend beton. Van alles is niets of nauwelijks iets over, zoals Lien Heyting meedeelt. In het hooggestemd boekje: “Herman Hana is een beeld van den nieuwen mensch die bezig is geboren te worden. Hij is van onzen tijd en van ons; hij heeft ons de richting van onzen groei aangeduid. Met de daad vooral.”

Van Vriesland als jonge, communistisch gezinde idealist. Geloofde hij in zichzelf? Uit diezelfde jaren dit slot van een somber gedicht: “Wie ben ik, wat ben ik, als ik niet Alles ben?/ Lachen moet ik verwonderd, als ik bedenk Van Vriesland te heten./ Mijzelf ben ik niet nader verwant dan u of ieder,/ Dan de stille tuindersknecht die ik daar gaan zie,/ Die ik niet ken - en toch ken met geheel mijn ziel.'

In VICTOR het boek der vrienden (1947) herinnert Herman Hana zich zijn huisje aan het Mauveheitje en de gesprekken die Van Vriesland en hij er hadden, in het begin van de Eerste Wereldoorlog, terwijl zij de jajem dronken die Van Vriesland had meegebracht. Zij hadden die nodig om 'intellectualistisch denk-automatisme weg te werken. Wij noemden dit gebied deswege: het land van de zeer wijn-igen.'

Zou ik in die tijd in Laren/Blaricum hebben willen leven? Je denkt soms: had ik maar in Straatsburg aan het eind van de achttiende eeuw de Sturm und Drang meegemaakt, jong als Goethe, Lenz, Herder. Of in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Amsterdam Kloos, Witsen, Verwey ontmoet. Of in het begin van deze eeuw in Bloomsbury verkeerd. Het Gooi van Herman Hana maakt me huiverig. Al die idealisten en profeten. Zo weinig werkelijkheid. En toch: over 'het Woord en de Taal' spraken Hana en Van Vriesland in Hana's kamer waarin volgens hem alles zó innig was bijeengeschikt als door een groot surrealist. Lamp, tafel, stoel, zitbank die tevens bed was, reinzwart planken vloer, pissebedden, oorwurmen, snelle spinnen, blauwe slakken, een lieve, stekeblinde kat. Ik had de nog jonge, languissante dichter, filosoof, idealist (net als Hana omvlinderd door vrouwen) er graag afgeluisterd. Zou hij toen al in héél lange zinnen hebben gesproken, en de deftige taal bij gevaar van verveling hebben gekruid met een plat woord.

Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog viel Hana om, zoals hij schrijft. Hij was ondervoed: “Toen schreef Vic vanuit Rotterdam: Kom bij mij wonen om mij bij te wonen.” Zijn broer Sigfried, advocaat, met wie hij het huis deelde, voegde er wat minder speels aan toe: “Kom hier op krachten komen.”

Vijftig jaar na zijn studie over Hana vertelde Van Vriesland zijn herinneringen: “Hij was typisch een man, die oneindig veel meer was dan hij deed. Wat hij deed was altijd even knap, maar hij excelleerde in het gesprek dank zij een geest die op elke minuut van de dag en de nacht actief was.”

Dat was in 1968. Herman Hana had in 1947 getuigd: “En ik weet van nabij hoe hij een anderen vriend een litterair monument schiep, dat alleen door een groot geldelijk offer zijnerzijds tot een uitgave werd.” Een andere vriend? Dèr Mouw? Ik neem aan dat Van Vriesland het boek over Hana heeft gefinancierd.