Ideaal arrangement met een kras; Tweespaltige gedichten van Anna Enquist

Anna Enquist: Klaarlichte dag. Uitg. De Arbeiderspers. 64 blz. Prijs ƒ 29,90.

Op het land

Het huis heeft op ons gewacht

denken wij. De dubbele bomenrij

wuift ons erheen. Fluisterend

schuift de volle rivier

tussen de oevers.Precies op tijd kruipt de zon

achter de akker. Duisternis

omvat het huis dat ons beschermt.

Wij maken vuur, wij drinken

tussen de muren.Ik heb mij aan de veiligheid

verkocht en buig mij uit het raam.

Paarden en hanen slapen, water

knipoogt naar de maan en ik betaal

en ik betaal.

UIT: ANNA ENQUIST, KLAARLICHTE DAG Nergens is de behoefte aan tweespalt zo groot als in de poëziekritiek. Wie poëzie bespreekt moet veel verschillende indrukken vangen, liefst onder één noemer. Maar die ene noemer is meestal niet te vinden. Of hij is te algemeen: 'de bundel staat in het teken van het reizen'. En het staat ook meteen zo armoedig, een bundel met maar één thema. De tweespalt biedt hier geweldige mogelijkheden. 'Tussen aankomst en vertrek': dat klinkt meteen al een stuk dichterlijker en men houdt tegelijk een ruime slag om de arm.

Van deze neiging werd ik me weer sterk bewust bij het lezen van de nieuwe bundel van Anna Enquist, Klaarlichte dag. Al bij het eerste gedicht zag ik me diepzinnigheden noteren als 'neerliggen en opstaan, nederlaag en opstand', zodat ik al meteen mijn eerste tweespalt binnen had: 'tussen overgave en verzet'. Maar in de 39 daaropvolgende gedichten voegden zich er nog heel wat bij, en allemaal leken ze me iets wezenlijks aan te duiden: tussen droom en dood, tussen pathetiek en stil verdriet, tussen sentiment en zingen, tussen verdrinken en overdrijven, en allerlei kruisverbindingen daar weer tussen. Een eerste conclusie kan zijn dat Enquist binnen haar gedichten graag uitersten opzoekt. En een tweede: dat ik de Grote Kern, dan wel de Overkoepelende Tweespalt, nog steeds niet zie en dus nog steeds door het temperament van Enquist wordt verrast.

Wat zeker bijdraagt tot de verwarring die Enquists werk, ook in de kritiek, teweeg brengt, zijn haar stijlbreuken - die zij zelf vermoedelijk niet als echte breuken bedoelt. Neem het gedicht 'Ineens'. Het bevindt zich in de afdeling 'Naar een ver land dichtbij': een tweespalttitel waarmee het land van de dood is aangeduid. 'Ineens' beschrijft een aanval van koorts, griep of misschien nog wel erger: uit de omringende gedichten kan de diagnose longontsteking worden afgeleid. Hoe dan ook, de dichteres was er niet best aan toe, zoals blijkt uit huishoudelijke mededelingen als 'Ik kroop onder steeds / meer dekens', 'De kachel loeide' en een wel erg dramatische zin als deze: 'Ik rilde en / huiverde alsof ik oog / in oog stond met de dood.' Het woord alsof is hier vreemd: het lijkt wel alsof de dichteres zelf ook vindt dat ze zich aanstelde. Na een witregel volgen dan deze verrassende slotregels:

Wat ook zo was. De dood en ik stonden op een dijk. Tussen ons was niets dan een aanzienlijke afstand. De verrassing zit onder andere in de verandering van toon. Klagerig begin, anekdotisch gedoe met dekens en kachels - en dan een abrupt, helder, beeldend slot. Verrassend is ook de dubbelzinnige formulering 'niets dan een aanzienlijke afstand': die kan geruststellend, maar ook onrustbarend zijn en dat stemt mooi overeen met de dubbelzinnigheid van alsof in het eerste deel. Hoe zo'n gedicht te waarderen? Als een tweespalt, zou ik zeggen. Het eerste deel is niet best, maar het lijkt wel met opzet extra zeurderig te zijn gemaakt, om het tweede deel er daarna des te sterker tegenin te kunnen laten gaan.

Om zulke onvoorspelbare stijlbreuken, of stemmingsovergangen, gaat het vaak bij Enquist. Dat maakt haar werk subtieler en ingewikkelder dan vaak gedacht wordt, en trouwens ook relativerender en humoristischer - al is dat natuurlijk ook een kwestie van interpretatie, en van smaak. Het hierbij afgedrukte gedicht 'Op het land' beschrijft de aankomst in een vakantiehuis. 'Het huis heeft op ons gewacht', zo luidt de eerste regel, maar de toevoeging 'denken wij' geeft al een licht ironische toets aan wat volgen gaat. Alles aan het huis lijkt perfect, cliché-perfect. Zie de oprijlaan: 'De dubbele bomenrij wuift ons erheen.' Zie hoe alles meewerkt: 'Precies op tijd kruipt de zon / achter de akker.' Zie hoe stemmig het vuur ontstoken wordt. En hoe de dichteres 's avonds nog even uit het raam hangt om tevreden vast te stellen dat alles op het land tot rust is gekomen. De paarden en de hanen slapen. 'Water knipoogt naar de maan'. Zo'n ideaal arrangement vraagt om een lichte kras, en die volgt dan ook, in de nuchtere verwijzing naar de financiële aspecten van de zaak. Ook hier zit het effect in het geheel. Het cliché-geluk en de bijbehorende cliché-poëzie van de eerste veertien regels zijn nodig om de vijftiende en laatste regel zijn werk te kunnen laten doen.

Het zal wel bij dit type heen en weer schietende poëzie horen dat de subtiele verbinding ook wel eens achterwege blijft. Soms zie ik in haar gedichten niet meer dan enkelvoudig pathos of simpele wanhoop. 'Sta op, grijp de tralies, / haal de diepste adem en / scheur je hart uiteen', zo luidt het logge slot van een gedicht dat een zwaar geval van beklemming wil beschrijven. Soms voel ik bij het lezen ook gêne, als het bijvoorbeeld gaat over het verdriet om de dochter die op kamers is gaan wonen ('Geen uiteenscheuren is zo wreed') of de zoon die bij een voetbalwedstrijd zijn been heeft gebroken. De gêne wordt niet opgeroepen door het onderwerp, want ieder onderwerp is geschikt voor een gedicht, ook de spelverruwing in het hedendaagse amateurvoetbal. Maar de eenspaltige omgang ermee maakt het lastig: het is toch klein zeer dat hier wordt opgeblazen tot het grootste leed.

Soms zie ik ook alleen maar duisternis, in regels als 'stroom gaf zijn richting voor stilstand'. Of omslachtige formuleringen: 'een lied van vroeger welt in ons als water'. Klaarlichte dag bevat genoeg materiaal voor een nieuwe editie van Waarom zijn de gedichten van Anna Enquist zulke shitgedichten, een pamflet dat twee jaar geleden, bij haar vorige bundel, verscheen. Maar zo'n pamflet kun je over iedere dichter wel schrijven, als je maar voorbijgaat aan de tweespalt. Tegenover de bombast staat bijvoorbeeld veel muzikaliteit, niet alleen in de klanken en de verdoezeling van het rijm, maar ook in de ritmische, soms bijna dansende opeenvolging van zinnen. Tussen de onmachtige uitroepen zijn veel verrassende beelden en observaties te vinden. En tegenover de grote gevoelens staat wel degelijk ingetogenheid, zoals in 'Het kind uit vijfenveertig', een lang gedicht over de schaduw die de oorlog wierp en werpt over de vrijheid van de na-oorlogse generatie. Het is persoonlijk en algemeen, ontroerend en hard, gevoelig en afstandelijk, vertellend en muzikaal, om maar enkele van de tweespalten binnen dit ene gedicht te noemen.

Tweespalt heeft volgens Van Dale geen meervoud, maar in de poëzie van Enquist wemelt het ervan. Het verrassende is dat ze niet per se verzoend moeten worden, maar elkaar blijven aantrekken en afstoten. Dat geeft aan haar zo traditioneel ogende poëzie iets onvoorspelbaars, en bijna zelfs iets autonooms. In haar beste gedichten is zij afweziger dan het lijkt. Het is de lezer die uitmaakt welke kant haar gedichten uit gaan.