Een pik?

Het is waar wat de kunstenaar Jan Dibbets zegt: het Nationaal Monument op de Dam ziet er niet florissant uit. De steen, travertijn uit Toscane, blijkt al na veertig jaar niet goed bestand te zijn tegen ons soort lucht, zelfs zo slecht dat (voorzover ik het kan beoordelen) het sokkeltje waarop moeder en kind staan ieder ogenblik kan afbreken. De ronde muur met de tekst van A. Roland Holst, achter de zuil, is viezig. De letters, toch al met weinig dieptescherpte, zijn zowat onleesbaar. In het bloembakje aan de voet van de muur staan wat verpieterde klimplantjes. Een kleine deerniswekkendheid opzichzelf omdat het die plantjes nooit zou worden toegestaan, hoger dan een decimeter te klimmen want dan bedekken ze al de onderste regel van de tekst.

Om de voet van de zuil is intussen een vierkante schutting gezet. Daarop is twaalf maal het beroemde donkerblauwe bordje aangebracht, met in wit reliëf een van de weinige nationale teksten die jong en oud vertrouwd zijn: VERBODEN TOEGANG Art.461 Wetb.v.Strafr. Mooie letters die ik al langer bewonder dan ik kan lezen. Je moet er niet aan denken dat er een designer zou opstaan met het idee dat dit wel wat beter zou kunnen.

Dibbets wil ook de muur slopen. De beelden om de zuil vindt hij mooi; de zuil zelf 'een pik'. Die moet, ik schat op een meter of vier boven de grond, worden afgezaagd. Zo ontstaat er vanzelf een nieuwe sokkel waarop dan moeder en kind worden neergezet. Op een montagefoto in deze krant van dinsdag ziet het er niet slecht uit. De voorgrond wordt nog altijd bezet gehouden door de twee leeuwen. Daarover laat de kunstenaar zich niet uit. Ik vind dat die dieren een wel zeer hoge borst opzetten. Als er delen in het totaal zijn die ons in 1996 vertrouwd voorkomen dan zijn het die leeuwen met hun kippeborst, zo hoog dat ze er niet eens overheen kunnen kijken. Eigentijdse kippeborsten die leeuwen moeten voorstellen: binnen de Amsterdamse Grachtengordel zie je ze van vlees en bloed.

Hier komen we aan de kern van het vraagstuk. Moet een nationaal monument voor alle generaties eigentijds blijven? Ieder beeldhouwwerk draagt de trekken, de lijnen, de signatuur van de tijd waarin het is ontstaan. Hoe belangrijker de algemene verstaanbaarheid wordt gevonden op het moment van de bestelling, hoe groter de kans dat het door latere generaties van een ander estetisch oordeel zal worden voorzien. Dat is dan nog het geringste risico. Groter is het gevaar dat we het monument van toen op onze manier eigentijds gaan interpreteren; en van uitleggen komt aanpassen.

In zijn geheel, op afstand en veertig jaar gezien is dit monument een eigenaardig samenraapsel van symboliek, tekst en poging tot monumentale duurzaamheid. De symboliek van de beelden is die van het midden der jaren vijftig. Jaren van echte krijgshaftigheid waren het niet - maar waarom zou je het voorgeslacht daar nu nog mee lastig vallen. Je kunt de tekst alleen lezen als je vijf keer een wandeling langs de muur maakt, en dan heb je nog niet begrepen wat er staat. Rest de duurzaamheid. Die laat te wensen over; maar in welke hoedanigheid: materiaal of vorm?

Als iets langwerpig hoog boven de grond rijst, er kan niet in worden gewoond en het heeft ook geen ander nuttig doel, dan weten de meeste mensen dat het dient ter ere van iemand of iets. Zuilen, pilaren, naalden, obelisken, cenotafen zijn van oudsher de aangewezen middelen om de mensen aan het verstand te brengen dat de natie een verleden heeft. Als niet alleen Jan Dibbets maar ook heel veel niet-kunstenaars in de hoofdzaak van het Nationaal Monument 'een pik' zien, ligt dat dan ook niet een beetje aan de oversekstheid van deze jaren? Zou het een oplossing zijn, de zuil op de Dam door een vierkante te vervangen?

In zijn allure van tijdloosheid vertoont een nationaal monument veel overeenkomsten met een volkslied. In de Marseillaise die geschreven is in 1792 komt een passage voor die geen verlichte Fransman nu nog in de letterlijke betekenis voor zijn rekening wil nemen: Mogen de voren onzer akkers doordrenkt worden van onrein bloed. Maar wat zou het lied zijn zonder het Marchons, marchons, qu'un sang impur abreuve nos sillons. Met de koning van Spanje hebben wij niets meer te maken, en toch zou je hem in het Wilhelmus niet graag willen missen. Zo is het ook met het Nationaal Monument op de Dam. Binnen de intimiteit van het eigen schedeldak staat het iedereen vrij, er van alles en nog wat in te zien. Objectief is het gewoon de nationale zuil die moet worden opgeknapt.