Een paar ons bacteriën

Parasieten, schimmels, virussen, bacteriën, wormen. Soms komen ze je lichaam binnen, vermenigvuldigen zich en maken je ziek. Je hebt dan een infectieziekte. Het woord infectie is lang geleden ontstaan uit het Latijnse woord inficere en dat betekent kleuren, bedekken, vergiftigen of besmetten. Vroeger bestond er dus één woord voor kleuren en besmetten.

Dat was toen niet zo vreemd, want als iemand door een ziekte een andere kleur kreeg en als mensen elkaar konden besmetten, dan was er een infectieziekte.

In de Middeleeuwen waren er enkele grote pestepidemieën, waar in korte tijd in een stad soms honderden mensen aan dood gingen. Van de pest kreeg je zwarte bulten op je huid. Er is nu nooit meer pest in Nederland. Maar waterpokken, roodvonk, mazelen en rode hond zijn ook infectieziekten waardoor je verkleurt. Waterpokken heb je waarschijnlijk wel gehad. Je kreeg er rode blaasjes van op je huid die erg jeukten.

De infectieziekte die het meest voorkomt is verkoudheid. Verkleur je daar ook van? Soms heeft een verkouden mens een rode neus, maar de echte verkleuring zit van binnen. Als je verkouden bent groeit er een virus in je keel. Je keel ontsteekt ervan en is daar feller rood gekleurd dan normaal. Als je ermee naar de dokter gaat kijkt hij in je keel, laat je AAAA zeggen en ziet dan een felrode kleur. Ook bij verkoudheid gaat besmet en gekleurd voor de dokter dus nog steeds samen.

De meeste infectieziekten in ons land worden veroorzaakt door bacteriën en virussen. In de warme tropische landen maken parasieten wel veel kinderen ziek. Door de malariaparasiet gaan in de tropen bijvoorbeeld jaarlijks duizenden kinderen dood.

Virussen en bacteriën zijn allebei zo klein dat je ze met het blote oog niet kunt zien. Toch zijn er veel verschillen. De grootte bijvoorbeeld. Als je op een meetlat een millimeter opzoekt, dan passen er in dat kleine stukje ongeveer 200 tot 1000 bacteriën. Er zijn duizenden typen bacteriën en ze zijn niet allemaal even groot. Virussen zijn nog honderd keer kleiner. Op een millimeter passen er dus wel 100.000.

Een ander verschil is dat bacteriën van dode voedingsmiddelen kunnen leven, maar virussen moeten eerst een cel van een mens, dier of plant binnendringen voordat ze zich kunnen vermenigvuldigen. Sommige virussen groeien zelfs in bacteriën. Ze passen er makkelijk in.

Nog een belangrijk verschil: virussen doen eigenlijk alleen maar kwaad, je hebt er niets aan, maar de meeste bacteriën houden ons gezond. Als je op de weegschaal staat en je ziet dat je 45 kilo weegt, dan weeg je een paar ons bacteriën mee. Die beestjes leven in je mond, op je huid en vooral in je darmen. Darmbacteriën helpen je bij de spijsvertering. Als je bonen eet of ander voedsel dat je zelf niet helemaal kunt verteren, maken de bacteriën er stoffen van waar je toch nog wat aan hebt, maar ze maken ook het gas waardoor je scheten laat.

Toch, als je je gesneden hebt, of als je door een virusinfectie een zere keel hebt, kunnen bacteriën die bij mensen gewoon op de huid leven je lichaam binnendringen en je een flinke infectieziekte bezorgen.