Een kleine geschiedenis

Noblesse oblige - van dit zegswoord mag ik, eenvoudig burgerman, mij niet bedienen. Maar dat wil niet zeggen dat ik geen morele verplichtingen heb - ook, in voorkomend geval, tegenover de adel. Van zo'n verplichting wil ik mij nu kwijten.

Wat is het geval? Op 6 februari vroeg ik hier aandacht voor het sociaal-culturele aspect van de crisis in het justitiële apparaat, die de commissie-Van Traa had onderzocht. Daarbij vermeldde ik dat een commentator in Trouw het opvallend had gevonden dat daarbij enige vertegenwoordigers van wat hij noemde de 'oude adel' betrokken waren. De naam van de graaf Van Randwijck werd genoemd.

Daarop schreef ik terloops - want die opmerking had weinig met de eigenlijke pointe van mijn betoog te maken - dat de adel van het geslacht Van Randwijck niet zó oud was: een voorvader van de huidige graaf was in 1710 - had moeten zijn: 1730 - verheven tot Rijksgraaf (van het Heilige Roomse Rijk).

Nu, daar heb ik wat op te horen gekregen (niet van de familie Van Randwijck overigens): de Van Randwijcks waren 'oeroude' adel, die dateerde van de middeleeuwen. Mijn verweer dat ik mijn wetenschap uit het zogenaamde Adelsboekje, een uitgave van het Centraal Bureau voor Genealogie, gehaald had, mocht niet baten.

Toen heb ik mij gewend tot de Hoge Raad van Adel, want ik wilde wel eens weten hoe de vork precies in de steel zat. Bovendien: als ik werkelijk een fout had begaan, hadden mijn lezers recht op een correctie. Die verschafte de secretaris van de Raad, mr. O. Schutte, die mij als volgt schreef:

“De oudst bewezen voorvader, Rutger van Randwijck, wordt tussen 1376 en 1392 vermeld en was ambtman van Overbetuwe, een benoeming die wel door de hertog van Gelre zal zijn gedaan. Ook wordt hij vermeld als heer van Indoornik, dat in de Over-Betuwe ligt en een Kleefs leen was.

“Hij kan dus beschouwd worden als 'oude adel', welke term men kan gebruiken als geen niet-adellijke voorouders bekend zijn of - anders gezegd - als er dus geen moment is aan te wijzen waarop de familie in de adel verheven is (en daarvóór dus niet van adel was).

“Wanneer er ridderschappen ontstaan (door de vorst bijeengeroepen edelen, die later een permanent karakter krijgen), treden de Van Randwijcks hierin op: in de stamreeks V in de ridderschap van Overbetuwe 1547 en generatie VI in de ridderschap van Nijmegen.

“Deze mensen voerden geen adellijke titel of adellijk predikaat. In oorkonden kunnen zij vermeld worden als 'knape' achter de naam en, indien zij tot ridder geslagen zijn (persoonlijk en dus niet erfelijk), als 'ridder', ook achter de naam.

“Pas in de 16de eeuw kan men deze mensen aangeduid vinden als 'jonker' (vóór de naam), en vanaf het einde van de 17de eeuw namen deze tot de oeradel behorende families de titel 'baron' aan (tussen voor- en achternaam). Aan het gaan voeren van de titel baron is dus geen verlening door een vorst te pas gekomen.

“Aangezien deze titel in de 18de eeuw regelmatig gevoerd werd, werd in 1820 - na het instellen van een Nederlandse adel door Willem I in de Grondwet van 1814 - aan deze categorie families toegestaan de 'van ouds gevoerde titel van baron' ter bevestiging aan de Koning voor te dragen: de meeste families met de titel van baron 'op allen' - dat betekent: op alle nakomelingen in de mannelijke lijn: er zijn nl. ook families waarin alleen de oudste zoon die titel krijgt - behoren dan ook tot de oeradel en hebben de titel op bovenvermelde wijze verkregen. Dat geldt ook voor de oudere tak der Van Randwijcks.

“In 1730 werd een lid van de jongere tak (Steven, generatie XI) door de Keizer van het Heilige Roomse Rijk verheven tot graaf (overgaande op de nakomelingen in de mannelijke lijn): hij verruilde dus zijn titel van baron voor die van graaf, maar dat maakte geen verandering voor zijn positie in Nederland, in het bijzonder in Gelderland, waar hij lid van de ridderschap van Nijmegen (sedert 1720) en ambtman van Overbetuwe (sedert 1726) bleef.

“Het enige lid (dat de stichting van het Koninkrijk meemaakte) van deze tak werd in 1822 erkend te behoren tot de Nederlandse adel met 'homologatie' (bevestiging) van de titel van graaf. Dat dit niet eerder was gebeurd komt door het feit dat hij in 1807 geboren was (zijn vader was in dat jaar omgekomen bij de ramp met het kruitschip te Leiden).”

Tot zover mr. Schutte. Recapitulerend: de Van Randwijcks zijn, anders dan ik hier op 6 februari meende te kunnen besluiten (op grond van wat ik in het Adelsboekje had gelezen), wèl van oude adel. Het is het van 1730 daterende graafschap van de jongere tak dat misschien 'niet zó oud' genoemd kan worden.

Curieus detail is dat de Van Randwijck wiens titel van graaf in 1822 erkend werd te behoren tot de Nederlandse adel, Lodewijk Napoleon heette. Zijn moeder heeft hem ongetwijfeld zo genoemd uit dankbaarheid jegens koning Lodewijk Napoleon, die immers, zoals wij vroeger uit de schoolboekjes leerden, na de ramp met het kruitschip onmiddellijk naar Leiden toog, teneinde van zijn belangstelling voor de getroffen bevolking te doen blijken.

Is dit allemaal belangrijk? Nee, er zijn belangrijker zaken tussen hemel en aarde. Maar wie, zoals ik, houdt van de petite histoire kan er zijn hart aan ophalen.