Een grand café voor de Witte Dame; De herwaardering van het Nederlandse industriële erfgoed

Tot voor enkele jaren werden oude fabrieken, kantoren en industriële complexen, wanneer ze in onbruik waren geraakt, zo snel mogelijk afgebroken. Daar komt langzaam verandering in: sommige voormalige fabrieken krijgen nu een nieuwe bestemming als café, kantoor of theater. “De monumenten van de werkende mens zijn er bekaaid afgekomen.”

Ze staan broederlijk naast elkaar op de oostelijke oever van het Spaarne in Haarlem: twee vervallen, uit 1890 en 1930 daterende bedrijfspanden van de voormalige Drostefabriek, voorzien van de oude firmanaam en een kleurrijk tegeltableau van de bekende Drosteverpleegster. De huidige eigenaar, de Dutch Cocoa and Chocolate Company, gebruikt de gebouwen nog slechts voor opslag en binnenkort zullen ze geheel worden ontruimd, omdat dit deel van de onderneming uit Haarlem verdwijnt. Vroeger zou onherroepelijk afbraak volgen, maar dat lot blijft het complex anno 1996 bespaard. Er zijn vergevorderde plannen om er appartementen in te vestigen en op de benedenverdieping komt hoogstwaarschijnlijk een vorm van horeca terwille van de pleziervaart op het Spaarne.

De nieuwe bestemming vloeit voort uit een betrekkelijk recente opwaardering van Nederlands industriële erfgoed. De term slaat op een uitgebreide en veelomvattende reeks historische objecten die getuigen van de industriële ontwikkeling die Nederland heeft doorgemaakt. Oude fabrieken vallen eronder, maar ook arbeiderswijken en villa's van directeuren en verder watertorens, vuurtorens, gemalen en NS-stations. Het begrip omvat bovendien complete verbindingssystemen, waaronder kanalenstelsels met bijbehorende sluizen, spoorlijnen en hoogspanningsmasten. Ook roerende zaken worden tot 'monumenten van bedrijf en techniek' gerekend: afzonderlijke (stoom)machines, motoren, kasregisters, zelfs loonstrookjes en alles wat rijdt, vaart of vliegt, waardoor de term zich uitstrekt tot old-timers, antieke sleepbootjes en een vliegtuig als de Fokker Friendship.

Dit alles wordt extra onder de aandacht van bevolking en autoriteiten gebracht door het Jaar van het Industriële Erfgoed, waartoe 1996 is uitgeroepen; een iniatief van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in Zeist en het Projectbureau Industrieel Erfgoed, kortweg PIE, dat in 1991 werd opgericht om Nederlands industriële verleden in kaart te brengen en het maatschappelijk draagvlak voor behoud en beheer te vergroten. Het jaar is gisteren door staatssecretaris Nuis van OCW geopend op een bijeenkomst in de Van Nelle-fabriek te Rotterdam, een van paradepaardjes in deze sector. Het complex, een schepping van de architecten Brinkman en Van der Vlugt, geldt als kenmerkend voorbeeld van het Nieuwe Bouwen, dat zich omstreeks 1925 openbaarde, en kreeg om die reden een plaats op de nationale lijst van beschermde monumenten. Vorig jaar is de fabriek bovendien voorgedragen voor de Werelderfgoedlijst van de Unesco.

Archeologie

Een dergelijk eerbetoon is echter meer uitzondering dan regel. Van de circa 45.000 wettelijk beschermde monumenten die Nederland telt, vallen er slechts enkele honderden onder de noemer bedrijf en techniek. “Daarmee is deze categorie zwaar ondervertegenwoordigd”, zegt drs. P. Nijhof, werkzaam bij de Rijksdienst en een expert op het gebied van de industriële archeologie. “Te lang”, is zijn overtuiging, “heeft monumentenzorg zich exclusief gericht op de materiële restanten van de maatschappelijke bovenbouw, op kerken, kastelen, raadhuizen en patriciërswoningen, waardoor monumenten van de werkende mens, met uitzondering van molens en later ook boerderijen, er zeer bekaaid zijn afgekomen.”

Een aanvullende verklaring voor de jarenlange onderwaardering van industrieel erfgoed geeft historicus M. van Loon, projectleider van het bewuste 'jaar': “Het gaat om betrekkelijk jonge objecten, uit de vorige en deze eeuw, en naarmate de geschiedenis dichterbij ligt, worden de voortbrengselen daarvan als minder waardevol beschouwd. Het is allemaal nogal gewoon en vanzelfsprekend wat er uit die tijd stamt en dus is het ook vanzelfsprekend dat zulke objecten verdwijnen. Tenminste, dat is een nog altijd heersende trend en die willen wij doorbreken.”

Ook de laatste decennia zijn nog tal van fabrieken en andere industriële bouwwerken, die volgens de kenners ruimschoots voor behoud in aanmerking kwamen, zonder erbarmen gesloopt. Sprekende voorbeelden zijn het complex van voorheen De Gruyter in Den Bosch, de textielfabriek van de 'grote' Van Heek in Enschede, Pieter van Doorns textielbedrijf in Tilburg (nota bene afgebroken in het monumentenjaar 1975) en scheepswerf Gusto in Schiedam, dezelfde werf waar de Vlaamse schrijver Willem Elsschot van 1908 tot 1911 als chef-correspondent heeft gewerkt.

Maar voorbeelden van objecten die werden gered en een nieuwe bestemming kregen, zijn er ook. Het directiegebouw van de Holland Amerika Lijn in Rotterdam (fraai specimen van Art Deco) werd getransformeerd tot hotel New York, dat inmiddels een bloeiend bestaan leidt. Textielfabriek Jannink in Enschede herbergt een museum en woningen, terwijl de Amsterdamse Westergasfabriek een nieuw leven kon beginnen als podium voor theater en opera. Ook de Hef, onderdeel van de oude spoorbrug in Rotterdam, bleef bewaard en stoomwerf 't Kromhout in Amsterdam wist zelfs furore te maken als 'levend museum'.

Een omvangrijk reservoir aan behoudenswaardig jonger erfgoed is blootgelegd door het MIP, afkorting van Monumenteninventarisatieproject, een tien jaar geleden begonnen en onlangs afgeronde landelijke campagne om inzicht te krijgen in de nog resterende bouwkunst uit de periode 1850-1940. Van de wettelijk beschermde monumenten stammen verreweg de meeste van vóór 1850. Die grens werd voorlopig en min of meer willekeurig getrokken, toen de Rijksdienst in 1961 (het jaar waarin de Monumentenwet tot stand kwam) begon te inventariseren, daarbij voortbordurend op al bestaande lijsten. Het duurde tot 1975 voordat ook jongere bouwwerken aan bod kwamen. Dat jaar werd een serie negentiende-eeuwse Cuyperskerken (neo-gothiek), NS-stations, watertorens en stoomgemalen ter bescherming aangewezen. De twintigste eeuw bleef echter een ondergeschoven kindje, wat samenhing met de wettelijke eis dat een gebouw ten minste vijftig jaar oud moest zijn om voor de lijst in aanmerking te komen. Die conditie vond de wetgever nodig om enige distantie tot het gebouwde erfgoed te scheppen.

Zonnestraal

In 1984 werd opnieuw een aantal jongere panden en complexen in het nationale register opgenomen, onder andere het Delftse Agnetapark (een 'arbeiderskolonie' naar ontwerp van L.P. Zocher), voormalig sanatorium Zonnestraal in Hilversum en 24 zogeheten witte villa's als uitingen van het Nieuwe Bouwen. Niet lang daarna jaar begon onder de naam MIP de systematische, landelijke telling, die kort geleden werd voltooid met een score van 165.000 objecten en complexen als basis voor een nieuwe selectie ten behoeve van de monumentenlijst. De verwachting is dat circa acht procent van het verzamelde materiaal te zijner tijd van rijkswege wettelijke bescherming krijgt, nog los van onbekende aantallen waar gemeenten en provincies via eigen lijsten en verordeningen hun beschermende hand over uitstrekken. Er zijn woonhuizen bij, villa's en landgoederen, maar vooral ook gebouwen van industriële origine. Panden die volgens ingewijden met glans de selectie zullen doorstaan, zijn de twee van Droste in Haarlem, zeker als het lukt om ze met appartementen te vullen.

Het vinden van nieuwe gebruikers of bewoners is bij industriële monumenten vaak net zo'n heksentoer als bij kerken en kloosters die hun oorspronkelijke functie verloren. Een zogeheten multifunctionele bestemming ligt in het verschiet voor de afgedankte Witte Dame in Eindhoven, een reusachtige betonnen complex van Philips, waar tot 1992 onder andere de gloeilampen vandaan kwamen. De fabriek, in de jaren twintig verrezen volgens ontwerp van architect D. Roosenburg, dankt haar naam aan de witte bepleistering in combinatie met Miss Blanche, een sigarettenmerk van Philip Morris, dat vroeger ook in Eindhoven werd gemaakt.

Op het ogenblik beleeft het netvlies weinig vreugde aan de zeventigjarige lady, gehavend als ze is door een nieuwe generatie, die ongeveer de helft van de ramen ingooide. Maar er moet ter plaatse weer iets moois en bijzonders tot stand komen en daar wordt hard aan gewerkt ten koste van 85 miljoen gulden, waarvan 21 miljoen uit diverse overheidspotten, inclusief het Europese fonds voor regionale ontwikkeling. Vanaf medio 1997, zo is althans de planning, zal het complex in fasen worden betrokken door de Akademie voor Industriële Vormgeving, de Stadsbibliotheek, Philips' ontwerpafdeling, een 'kunstencluster' met architectuurcentrum, grafisch atelier en galerie en het onvermijdelijke grand café op de begane grond.

Gebluste kalk

Hoe ver kan men gaan bij herstel of restauratie van industriële monumenten? Aan het haventje van Huizen dichtbij het Gooimeer stonden tot 1992 vier kalkovens, waar tussen 1900 en 1973 schelpen, vermengd met kolengruis, werden verbrand als grondstof voor gebluste kalk, die destijds een rol in de bouw speelde. Omdat de ovens buiten gebruik waren geraakt en in de weg stonden, besloot de eigenaar, Slokker bv, ze steen voor steen af te breken, maar een jaar of wat later had men daar blijkbaar weer spijt van, want sinds kort is hier onder de hoede van stichting De Kalkovens een herstelproject gaande, dat moet uitmonden in een nieuwe bestemming: die van restaurant met kantoorruimte.

De wederopbouw gebeurt volgens de regelen van het oude ambacht. De ovens - drie van zestien en één van twintig meter hoog - moeten exact dezelfde vorm krijgen als vroeger, wat speciale hulpmiddelen vergt, omdat het ronde constructies betreft, die naar boven toe ook nog eens taps toelopen. Dat zal allemaal wel lukken, maar van een terugkeer van de oude toestand kan desondanks geen sprake zijn. Niet alleen komen de ovens honderd meter van hun oorspronkelijke plaats te staan, ze worden bovendien opgetrokken uit nieuwe klinkers, omdat de oude, die bij de gemeentewerf liggen opgeslagen, niet meer voor het beoogde doel te gebruiken zijn.

Dit maakt het Gooise herstelproject als replica van één op één tot een twijfelgeval, grenzend aan geschiedvervalsing, al zijn er in dit wereldje die daar minder zwaar aan tillen: ook de industriële-monumentenzorg kent rekkelijken en preciezen. Het Jaar van het Industrieel Erfgoed voorziet in een reeks evenementen en excursies die belangstellenden met deze categorie monumenten in aanraking moet brengen, eventueel vanuit de lucht. Op 20 en 21 april zijn er vliegtochten per Fokker Friendschip over Noord-Holland, waar de industriële archeologie rijkelijk aan de oppervlakte komt. De kosten bedragen honderd gulden per persoon. De landelijke fietsdag, dit jaar op 11 mei, heeft in verscheidene routes oude fabrieken, gemalen, sluizen en dergelijke opgenomen. Gedurende het Pinksterweekeinde (25, 26 en 27 mei) is er in het Spoorwegmuseum te Utrecht een 'nationale stoommanifestatie'. De Open Monumentendag (14 september) krijgt in diverse gemeenten eveneens een sterk industrieel accent.