Degeneratie

Op de opiniepagina stond gisteren een stuk van dr. H.H.T. Prins, dat in verschillende opzichten bijzonder leerzaam was. Als hoogleraar natuurbehoud reageerde Prins op een eerder verschenen artikel van mr. B.J. Asscher over de jacht. Volgens rechter Asscher treden in gebieden waar de jacht verboden wordt degeneratieverschijnselen op bij het wild. Verder pleitte Asscher voor “een verbetering van de communicatie tussen jagers en milieubeschermers”.

Om met dat laatste te beginnen: het klinkt altijd erg nobel wanneer mensen een probleem willen oplossen door de communicatie te verbeteren, maar mij doet het vooral denken aan de verdeling van een taart, zoals beschreven door Douglas Hofstadter in Metamagische Thema's. Op tafel staat een taart. A wil de hele taart, maar B protesteert. Ieder de helft, dat vindt hij eerlijker. Daarom stelt A. voor om er over te praten, om er over de communiceren, zou mr. Asscher zeggen. “Ik driekwart”, zegt A, “en jij één kwart. Dat lijkt mij een redelijk compromis.” Sommige problemen hebben een objectief gelijk en ongelijk, ook al communiceer je tot je een ons weegt. De jacht lijkt mij zo'n probleem. Aan de ene kant staan de jagers, die beweren wat Asscher ook beweert, namelijk dat het wild zonder de jacht degenereert. Aan de andere kant staan de milieubeschermers, die beweren wat prof. Prins ook beweert, namelijk dat het hele degeneratieverhaal een mythe is en dat het wild zonder jagers zichzelf heel goed in stand kan houden. Dat is geen probleem dat je kunt oplossen door de communicatie te verbeteren, maar gewoon door onderzoek te doen.

In zijn stuk laat prof. dr. Prins weinig heel van de argumenten van mr. Asscher. Op roodborstjes, kramsvogels en brandganzen wordt niet meer gejaagd, maar van degeneratie is hier geen sprake. Daartegenover staat dat grote slagtanden bij olifanten nauwelijks meer voorkomen, hetgeen volgens Prins betekent dat de olifant gedegenereerd is, juist ten gevolge van de jacht.

Wie heeft hier nu gelijk: de rechter of de hoogleraar natuurbehoud en -beheer? Honderden miljoenen jaren heeft de natuur zichzelf tegen degeneratie weten te verweren zonder groengeklede mannetjes met geweren nodig te hebben. Als leek ben ik dus geneigd Prins gelijk te geven. Daar komt nog bij dat ik vermoed dat het stuk van Asscher ongeveer zo tot stand is gekomen.

Onder rechters komen nogal wat jagers voor. Het zou mij niet verbazen als een van die jagers op de sociëteit tegen Asscher heeft gezegd: “Beste Benno, luister. Die lui van milieubeheer worden wel erg lastig de laatste tijd. Laatst was ik, potdomme, met de prins aan het jagen en stonden weer een paar jongens aan de poort. Kun jij daar nou niet iets aan doen? Jij schrijft toch van die stukjes in de krant? Wanneer schrijf je nou niet eens een goed stukje over de jacht. Dan zal ik je vertellen hoe het in elkaar zit.”

Vermoedelijk heeft mr. Asscher inderdaad heel goed geluisterd en daarna heeft hij alles trouw opgeschreven. Maar omdat hij nu eenmaal een rechter is en omdat een rechter nu eenmaal graag het aureool om zich heen ziet van wijsheid en verzoening, heeft hij de frase van de communicatie er zelf bijverzonnen. Zo werd de taart verdeeld in een driekwart stuk en een stuk van een kwart, tot voordeel van beide partijen.

Zou mr. Asscher echt iets weten van natuurbeheer? Heeft hij een Prismaboekje over biologie gelezen, of heeft hij zich werkelijk verdiept in deze materie? Prins laat zien dat de wijze waarop Asscher met het begrip degeneratie omgaat doet vermoeden dat we te maken hebben met iemand die nauwelijks geschoold is op dit gebied.

Rechters weten iets van het recht. Daarbuiten weten zij ongeveer evenveel als een gewone leek. In Nederland heeft men zich altijd verzet tegen juryrechtspraak, omdat juryleden onvoldoende zouden begrijpen van ingewikkelde kwesties als DNA-onderzoek. Het is geen overtuigend argument. Breng via een steekproef uit de Nederlandse bevolking een representatieve jury bij elkaar en ik durf te wedden dat er ten minste één iemand bij zit die meer verstand van biologie heeft dan mr. Asscher.