De ziel van engelen en demonen; Het magische boek Asclepius van Hermes Trismegistus vertaald

Het vijftiende-eeuwse idee dat de mens 'een schepper naast God' is, is gebaseerd op het boek 'Asclepius' van Hermes Trismegistus, dat nu in het Nederlands is vertaald. In het werk van kunstenaars zoals Shakespeare, Goethe en Baudelaire is de invloed te bespeuren van de Hermetische geschriften: “Tot in het werk van Harry Mulisch waarin Hermes Trismegistus figureert als de god van het schrijven.”

Asclepius. De volkomen openbaring van Hermes Trismegistus, ingeleid, vertaald en toegelicht door G. Quispel. Uitgegeven door de Bibliotheca Philosophica Hermetica i.s.m. uitgeverij Ambo. 306 p. ƒ 55,00. (Ook verkrijgbaar in cassette, samen met het Corpus Hermeticum, vierde druk. ƒ 90,00).

Het oudste wereldrecord staat op naam van Hermes Trismegistus, en het ziet er niet naar uit dat het ooit nog verbeterd kan worden. Althans, als we Jamblichus mogen geloven, die in De Mysteriis vermeldt dat hij volgens de Egyptische priester Manetho niet minder dan 36.525 boeken had geschreven. Maar wie was die Hermes Trismegistus eigenlijk?

Vast staat dat hij in de late oudheid al legendarisch was en gold als hèt symbool van de oeroude Egyptische wijsheid die toen in hoog aanzien stond. Hij zou een Egyptische priester geweest zijn en achter zijn Griekse naam gaat de Egyptische priester-god Thoth schuil, de god van het schrift en de wijsheid, met wie hij geïdentificeerd werd. Aan hem dankt hij ook zijn epitheton Trismegistus ('de driewerf grote').

Niet alleen in de late oudheid gold hij als een heidense wijze uit lang vervlogen tijden. Ook later, in de middeleeuwen, werd hij beschouwd als de oerbron van allerlei geheime kennis en als de auteur van veel magische, astrologische en alchemistische tractaten (die vaak uit het Arabisch waren vertaald).

Het fantastische getal dat Jamblichus noemt is dus niet helemaal uit de lucht gegrepen, want op naam van deze mythische Oerschrijver is een omvangrijke literatuur overgeleverd. En de beroemdste teksten uit deze Hermetische traditie zijn het Corpus Hermeticum en de Asclepius.

De Asclepius is een latijnse vertaling van een verloren gegaan Grieks origineel, de Teleios Logos, ofwel De volkomen Openbaring. Deze tekst werd al door kerkvaders als Lactantius en Augustinus gelezen en becommentarieerd, en op hun gezag had men altijd aangenomen dat de veronderstelde schrijver ervan, Hermes Trismegistus, een Egyptische priester was geweest die lang voor Plato en Pythagoras had geleefd, en die als een heidens profeet de komst van Christus en het christendom had voorspeld.

Maar dit alles zou hooguit interessant zijn voor godsdiensthistorici, als deze mythische Hermes Trismegistus niet door een wonderlijke speling van het lot was uitgegroeid tot de heraut van het nieuwe denken in de vijftiende eeuw. Omdat men meende dat hij ongeveer in de tijd van Mozes geleefd moest hebben en dat de hele Griekse filosofie tot hem te herleiden was, zou de ontdekking van betrouwbare geschriften een sensatie van de eerste orde zijn.

Groot was dan ook de opwinding die ontstond toen omstreeks 1460 een Grieks manuscript van het verloren gewaande Corpus Hermeticum uit Constantinopel naar Florence werd overgebracht. De filosoof Marsilio Ficino kreeg opdracht zijn werk aan de vertaling van Plato's geschriften te laten liggen om deze teksten met voorrang te vertalen.

Zijn vertaling met commentaar werd met groot enthousiasme ontvangen in de kring van Florentijnse neoplatonisten. Op basis van Hermetische en kabbalistische geschriften gaven Ficino en Pico della Mirandola de aanzet tot een enthousiaste, magische filosofie die ruim een eeuw lang haar stempel zou drukken op het intellectuele leven in Europa. Zo werd Hermes Trismegistus, naast Pythagoras en Plato, een sleutelfiguur in de Italiaanse renaissancefilosofie.

Magie

Ook de Asclepius speelde een belangrijke rol in deze Hermetische renaissance. In het zesde hoofdstuk, bijvoorbeeld, wordt de lof gezongen van de mens, die een magnum miraculum, een groot wonder, is want hij kan door middel van zijn geest zowel met goden en demonen verkeren als de materiële wereld van de schepping doordringen. In zijn beroemde rede De dignitate hominus (Over de menselijke waardigheid) citeerde Pico della Mirandola deze zinsnede over de mens als magnum miraculum uit de Asclepius, en proclameerde daarmee het nieuwe, zelfbewuste mensbeeld van de renaissance: de mens als 'schepper naast God'.

Zo werd het magisch wereldbeeld van een legendarische heidense priester merkwaardigerwijs een van de belangrijkste inspiratiebronnen voor het nieuwe denken. Maar juist dat wat de renaissancefilosofen het meest aansprak in de Asclepius - die magische vermogens van de menselijke geest - was door een ombetwiste kerkelijke autoriteit als Augustinus fel veroordeeld. Er ontstond een debat over magie waarin orthodoxe theologen en Hermetisch geïnspireerde filosofen tegenover elkaar stonden. De laatsten probeerden zich in te dekken tegen de beschuldiging van ketterij door onderscheid te maken tussen 'witte' en 'zwarte magie' en de roemruchte passages uit de Asclepius over het maken van goden fungeerden daarbij als toetssteen: wie die niet verwierp, was verdacht.

Dit alles is uitvoerig beschreven door Frances Yates in befaamde studies als Giordano Bruno and the Hermetic Tradition (1964) en The occult Philosophy in the Elizabethan Age (1979). Haar werk maakte mij ook nieuwsgierig naar dat merkwaardige boek, die Asclepius, waarin sprake was van Egyptische priesters die hun godenbeelden door middel van magische rituelen konden bezielen.

Dankzij de Bibliotheca Philosophica Hermetica (opgericht door de Amsterdamse zakenman Joost Ritman), die al eerder een prachtig uitgegeven vertaling van het Corpus Hermeticum verzorgde, is er nu ook een Nederlandse vertaling van de Asclepius beschikbaar. De vertaling, met uitvoerige inleidingen en toelichtingen, is van de hand van prof. G. Quispel, een van de grootste autoriteiten op het gebied van de gnosis (ofwel: die religieuze leren die omstreeks het begin van de jaartelling niet het geloof in een verlosser, maar de kennis van het goddelijke als zaligmakend predikten).

De Asclepius is geen handboek voor magie. Wie zich verdiept heeft in de studies van Frances Yates over de Hermetische renaissancefilosofie, die zich vooral concentreren op de rol van de magie, kan zich makkelijk een verkeerd beeld vormen van zo'n tekst. Maar in plaats van een toverboek vol sterke staaltjes van magie en recepten voor het maken van goden krijgt de lezer een serie vrome verhandelingen voorgeschoteld in de vorm van gesprekken tussen Hermes Trismegistus, zijn zoon Tat, de priester Ammon en een leerling die Asclepius heet. De gesprekken gaan over de plaats van de mens in de kosmos, zijn relatie tot God en tot de schepping. Op het eerste gezicht is dat allemaal niet erg opwindend, maar in de context van de ontstaansgeschiedenis van het christendom krijgen deze teksten toch een bijzondere glans: deze heidense gnosis onderscheidt zich van het christelijke dualisme en ascetisme door een positieve visie op het lichaam en op de materiële wereld, door een verheerlijking van de seksuele eenwording als symbool van de androgyne aard van God, en door een vast geloof in de creatieve (magische) potenties van de mens: “Niet alleen wordt hij god, hij maakt ook goden.” Zondeval en schuld ontbreken in de Asclepius. Het enige kwaad is de onwetendheid, waaruit de mens verlost wordt door gnosis.

Quispel is erin geslaagd, een zeer leesbare vertaling te maken. En al is de tekst nogal docerend en belerend van aard, er komen ook fraaie, bezielde passages in voor. Bovendien laat Quispel de hermetische denkbeelden zien in hun veelkleurige context: de oude, uit de Egyptische religie overgeleverde ideeën, denkbeelden uit de Griekse filosofie en esoterisch-joods gedachtengoed. En ten slotte geeft hij ook nog een boeiende receptiegeschiedenis, van Apuleius tot en met Cusanus (waarin ik onder andere kennis maakte met de Utrechtste bisschop Adalbold de Tweede). Het is haast te veel van het goede.

Moderne zorgen

Opvallend is de moeite die Quispel doet om aan te tonen dat de Hermetische gnosis heel wel van voorchristelijke oorsprong kan zijn. Dat hangt samen met de latere receptie van deze teksten: want na de herontdekking van deze Hermetica in de vijftiende en zestiende eeuw, die leidde tot het kosmisch enthousiasme van Pico, Ficino en Bruno, raakte de Hermetische filosofie in de 17de eeuw in verval toen Casaubonus had aangetoond dat deze geschriften niet ver vóór Christus, maar in de tweede of derde eeuw na Christus geschreven waren. Daarmee was de mythe van Hermes Trismegistus als oeroude Egyptische wijze en (bijna) tijdgenoot van Mozes definitief ontkracht.

Quispel bestrijdt dat niet - ook volgens hem is de Asclepius in de tweede eeuw na Christus in Alexandrië ontstaan - maar op basis van verschillende gnostische teksten die in 1945 bij Nag Hammadi zijn gevonden, waaronder ook een fragment uit de Asclepius, en aansluitend bij de studie van Mahé (Hermès en Haute-Egypte, 1982), betoogt hij dat de Egyptische invloed in de Hermetische traditie veel belangrijker is dan tot dusver werd aangenomen, en dat de oorsprong ervan ouder kan zijn dan het christendom.

Hermes Trismegistus mag dan een mythische figuur zijn en de ons overgeleverde teksten mogen stammen uit de tweede eeuw na Christus, dat doet niets af aan hun voorchristelijke, gnostische originaliteit, benadrukt Quispel. Hij omarmt het holistische wereldbeeld en de positieve visie op de seksualiteit, en ziet er zelfs moderne zorgen als die om het milieu en de natuur in weerspiegeld. Het is duidelijk dat hij zich niet alleen als vertaler en bezorger van deze oude teksten opstelt, maar ook sympathiseert met de inhoud ervan.

Daar is niets op tegen. Zijn betrokkenheid staat er borg voor dat we het volle pond krijgen van zijn enorme eruditie, zodat we de Asclepius kunnen situeren in het religieuze klimaat van een periode waarin het christendom nog lang niet de scherpe contouren had die het nu heeft.

Des te jammerder is het, dat de vertaling van de eigenlijke tekst van de Asclepius niet duidelijker is onderscheiden van het commentaar, zoals eerder in de uitgave van het Corpus Hermeticum. Nu krijg je door de typografische eenvormigheid van inleiding, vertaling en aantekeningen toch een beetje de indruk dat de eigenlijke tekst letterlijk bedolven wordt onder de commentaren.

En hoe zit het nu met die roemruchte magische passages? Ook die ogen op het eerste gezicht weinig spectaculair. Hermes legt uit dat de mens zijn eigen goden kan maken: “maar het meest verwonderlijke is wel dit: wonder boven wonder is de mens er in geslaagd het wezen van de goden te ontdekken en dat te reproduceren (-).

Toen ontdekten zij de techniek om godenbeelden te fabriceren. Nadat zij dat eenmaal hadden uitgevonden, voegden zij aan de beelden ook nog een bijbehorende toverkracht toe die zij uit het magisch reservoir van de Kosmos haalden en met het materiaal van de beelden vermengden.

Maar zielen konden zij niet vervaardigen. Daarom riepen zij in spiritische seances de zielen van engelen en daimonen op. Die banden zij in de beelden door de heilige en goddelijke riten van de consecratie. Daardoor kregen de beelden de occulte krachten om te baten en te schaden.''

Helaas - geen woord over hoe dat precies in zijn werk ging. Quispel brengt een en ander in verband met een oud Egyptisch ritueel dat 'de opening des monds' heet en hij legt uit dat het Egyptische woord voor beeldhouwer 'levend-maker' betekent. Dat herinnerde mij aan de oude Egyptische naam voor de Sfinx: seshep anch, ofwel: 'levend beeld'. Blijkbaar gaat achter deze passages een oude Egyptische opvatting schuil die er ongeveer op neer kwam dat beelden (met name tempel- en grafbeelden) de levende aanwezigheid van het afgebeelde konden bevatten. Dat doet denken aan de vroegchristelijke, neoplatoonse opvattingen over ikonen, waarin de afgebeelde heilige figuren ook reëel aanwezig werden geacht. En psychologisch werkt het natuurlijk ook zo: doden en goden leven voor ons alleen als beeld, en in die vorm leven ze voort. Daarom wordt ook in het Corpus Hermeticum de beeldenverering aanbevolen. Dat is geen idolatrie, maar een vorm van meditatie, omdat beelden ideeën uit de geestelijke wereld belichamen.

Novalis

Hier ligt de connectie tussen de Hermetische gnosis en het latere Hermetisme in filosofie en kunst. Quispel, als godsdiensthistoricus, legt duidelijk een ander accent. Niet ten onrechte, want het gaat tenslotte om een religieuze tekst. Maar dat de invloed die de Asclepius via de Hermetische renaissancefilosofie heeft uitgeoefend op de kunst alleen in zijdelingse verwijzingen aan bod komt is toch jammer: in het werk van Spenser, Shakespeare, Goethe en vele anderen zijn er sporen van terug te vinden. En met de romantiek brak een tweede Hermetische renaissance aan: Blake en Novalis herontdekken de 'Hermetische connectie', bij Baudelaire en de symbolisten duikt hij ook op en zo vond Hermes Trismegistus, geadopteerd door de kunst, zijn weg naar de twintigste eeuw. Tot in het werk van Harry Mulisch, waarin hij figureert als de god van het schrijven. De term hermetisch die nog steeds gebruikt wordt in de kunstkritiek (in de betekenis van ontoegankelijk, gesloten), mag dan inmiddels weinig meer met de driewerf grote Hermes te maken hebben, zonder diens geheime leer was hij nooit ontstaan.

Zoals eerder Carl Gustav Jung en Frances Yates al hadden aangetoond, maakt ook Quispel met deze uitgave van de Asclepius nog eens duidelijk dat de Hermetische gnosis een belangwekkende rol heeft gespeeld in de vorming van onze cultuur. Naast de vanouds erkende joodse en Grieks-Romeinse bronnen van de Europese beschaving eist ook de Egyptische component, in de gestalte van Hermes Trismegistus, zijn plaats op. Hoezeer ook vergriekst, het is toch een interessante aanvulling. Al was het maar omdat daarmee de magie van de verbeelding de plaats krijgt die haar toekomt: zonder dat scheutje Egyptische magie zou de Europese cultuur er anders, en ongetwijfeld armoediger hebben uitgezien.