De schoenendoos van de meloenenvrouw; Fototentoonstelling over 'verkeerde' mensen

Diane Arbus maakte in de jaren zestig foto's van dwergen, misvormden en travestieten, die kort daarvoor nog als kermisattracties werden beschouwd. In Groningen is nu een tentoonstelling ingericht met fotografen die in het spoor van Arbus een voorliefde tonen voor het abnormale in de mens. “Grote, in harde kleuren uitgevoerde portretten zijn eruit ontstaan, die een dubbelzinnige hulde brengen aan ons vermogen van gedaante te wisselen.”

Black and blue, 8 Amerikaanse fotografen; Groninger Museum, Groningen. T/m 8 april.

Het abnormale is in de mode. Niet voor het eerst sinds de Romantiek het op een voetstuk zette, maar wel voor het eerst op zo grote schaal. Alles wat als abnormaal of extreem geldt kan nu op ruime aandacht rekenen, en bij lange na niet alleen meer van de sensatiepers. Het abnormale begint zelfs zo gewoon te worden dat de sensatie er een beetje af is.

Misschien is dat de reden waarom Black and blue, een tentoonstelling van acht Amerikaanse fotografen met een voorliefde voor het abnormale, nu als betrekkelijk normaal overkomt, zelfs in het museum dat kunst bij voorkeur als sensatie presenteert, het Groninger Museum. Met onderwerpen als seks van teenagers, naakt van bejaarden, piercing en all-over tatoeage zijn we door de gewone media al zodanig verwend dat de acht met hun kunst tegenover een stevige concurrentie staan.

De tentoonstelling begint met Diane Arbus, de fotografe die in de jaren zestig beroemd werd door haar foto's van 'freaks', zoals ze ze zelf noemde, mensen die vroeger kermisattracties waren: dwergen, misvormden, travestieten. Het zijn verbijsterende foto's, niet zozeer door wat erop te zien valt, al is dat niet mis, maar door de wijze waarop de personen getroffen zijn: ze komen niet over als bezienswaardigheden, maar als mensen, gezien door iemand die het meest menselijke zoekt en het tragische vindt.

Arbus heeft dat tragische niet als tragisch gefotografeerd. Daarmee zou ze afstand hebben genomen, terwijl ze zich juist wilde inleven in wat ze zag. In de twee jaar voor haar dood (ze pleegde in 1971 op 48-jarige leeftijd zelfmoord) fotografeerde ze geestelijk gehandicapten, mensen die het woord tragisch niet kennen. Uit die foto's heeft nu de samensteller van Black and blue, Mark Wilson, een selectie gemaakt. We zien mannen en vrouwen die dansen en spelen als kinderen, elkaar sarrend en omhelzend, volstrekt onbewust van kousen die afzakken en mombakkesen die scheef staan. Voor hen bestaan onvolkomenheid en abnormaliteit niet, alleen dat wat er is en zoals het is. Daar reageren ze op, direct, impulsief en eerlijk als een dier.

Maar juist daardoor valt op wat als menselijk is aangeleerd: kleding die het sekseverschil benadrukt, spelregels, dwang, orde, kortom het keurslijf van de maatschappelijke conventies. Het past hen niet, zonder enige nadruk laten de foto's zien hoe het hen beknelt terwijl ze er tegelijkertijd onwetend van zijn. Die onwetendheid verandert onder het liefdevolle oog van Arbus in onschuld, de onschuld die wij verloren hebben.

De fotografen die volgen trekken ieder op hun eigen wijze de lijnen door die Arbus heeft uitgezet. Ook zij fotograferen wat buiten de geijkte patronen valt en daarmee als onmenselijk wordt beschouwd, en ook zij vinden, zij het niet altijd even lucide, daarin het menselijke. Catherine Opie (1961) bijvoorbeeld, fotografeert mannen en vrouwen die, zoals men nog niet zo lang geleden zei, 'verkeerd' zijn. Die verkeerdheid verstoppen ze niet, maar ze maken er theater van: de vrouwen zijn verkleed als mannen en de mannen maken een vertoning van het traditioneel vrouwelijke of hun mannelijkheid. Hun attributen zijn stoere of overdreven frivole kleding, piercing en tatoeage waarmee ze aangeven dat ze weliswaar afwijken maar niet alleen zijn en tot een subcultuur behoren. Rustig en zelfbewust hebben ze voor Opie geposeerd. Er zijn grote, in harde kleuren uitgevoerde portretten uit ontstaan, godslasterlijke staatsieportretten die een dubbelzinnige hulde brengen aan ons vermogen van gedaante te wisselen en daarmee voor ons zelf te kiezen.

Fantasieën

De stap die hierna komt is de stap naar de wereld. Zoe Leonard (1961), Jack Pierson (1960) en Gus van Sant (1952) brengen die wereld in beeld als een fantasmagorie, even zinsbegoochelend als een film, met personages die verstrikt zijn geraakt in hun eigen en andermans fantasieën, inclusief die van ons.

Leonard heeft 82 zwart-wit foto's direct op de muur geprikt. Je zou zeggen dat ze uit de omgekeerde schoenendoos komen van een zwarte vrouw: sommige zien eruit als kiekjes uit een familie-album, andere als glamourfoto's of filmstills. Ze zijn rondom op de muren zo opgehangen dat je er het verhaal van iemands leven achter vermoedt. Dat klopt ook, al is dat het leven van een fictieve figuur, 'The watermelon woman'. Ze is de hoofdpersoon van een film die Leonard samen met Cheryl Dunny heeft gemaakt over een zwarte vrouw die in de jaren dertig van getto-kind opklimt tot filmster in films voor en door zwarten en die tenslotte oud en afgedankt sterft.

Zo expliciet wordt dit verhaal, waarin Leonards lesbisch politiek actieve kunstenaarschap doorklinkt, in de foto's niet verteld. Je moet zelf uitpuzzelen waar de op zichzelf weinig opwindende foto's overgaan. Het geeft het gevoel in een archief te bladeren met foto's die even goed over het leven van een mens kunnen gaan als over het ontstaan van een film, alsof het verschil tussen die twee nauwelijks meer bestaat.

Ook bij Pierson lijkt de werkelijkheid samen te vallen met film, alleen is het deze keer een B-film. Alles is vals: de omgeving die als een gekleurde mist om de personages heen hangt, de gekwelde of angstige uitdrukking op hun gezichten en zelfs hun sentimentaliteit, die Pierson probeert op te roepen door hen zwijmelend voor rock-affiches uit de jaren vijftig te laten poseren. Het enige wat echt is is het idee dat Pierson die valsheid met zijn grote foto's absoluut niet ter discussie wil stellen en dat maakt er ware kitsch van.

De grote kleurenfoto's van de cineast Van Sant zijn heuse filmstills uit zijn bekende film My private Idaho. Ze zijn per paar opgehangen, wat waarschijnlijk de dialoog moet aangeven tussen de twee jonge mannen op foto's met elkaar en tussen hen en hun omgeving, aangeduid door meubilair en kermiskramen. Het werkt niet. Net als bij Leonard bieden de foto's zelf zo weinig om bij stil te staan dat je gefrustreerd gaat zoeken naar de verhaalstructuur die erachter schuil moet gaan, de film dus achter de foto.

Haarscherp

De mening die je nu veel hoort, dat fotografie hetzelfde is als film, wordt in een klap van tafel geveegd met de foto's van Andres Serrano (1950). Het zijn zeer grote kleurenfoto's die zo zorgvuldig zijn gecomponeerd dat je in één keer haarscherp overziet waar ze over gaan. Een oude vrouw die haar handen voor haar gezicht heeft geslagen, een meisje dat ons aankijkt met gespreide beentjes, een vrouw die in een steeg een man pijpt: er valt niets te raden, en toch wordt alles losgewoeld. Er is in de onsentimentele, genadeloze werkelijkheid die Serrano laat zien niets wat wij niet zijn. Des te meer frappeert de bijna liefdevolle aandacht van de fotograaf die dat alles in een gruwelijke schoonheid heeft omgezet.

De werkelijkheid van Bruce Davidson (1933) is evenmin filmisch te noemen, tenminste als je film opvat als een illusionistische weergave van een illusie, zoals nu in de beeldende kunst de trend begint te worden. Davidson heeft een reeks zwart-wit foto's gemaakt van de 100Th Streat East in New York, het hart van het zwarte getto, waar geen ontsnappen aan is. Het zijn rauwe beelden van mensen die als uitschot worden geboren en zich zo moeten zien te redden. Hun pogingen zijn geregistreerd door een oog dat hun wereld niet als een theatrale set-up ziet waarin de fantasie naar believen kan ronddwalen, maar als het grote raadsel dat de observator zo dicht mogelijk wil benaderen.

Dat zelfde verlangen maar heel anders verwoord zit in de foto's van Larry Clark (1943). Clark fotografeert adolescenten terwijl ze met seks, drugs en geweld in de weer zijn. Recentelijk heeft hij daar ook een film over uitgebracht, Kids, die net als zijn foto's veel afkeer en verontwaardiging heeft gewekt. Men ziet in Clark een oude geilaard die onder het mom van kunst maken aan zijn gerief komt. Misschien is dat voor een deel ook zo, maar voor een ander deel, in mijn ogen het grootste en belangrijkste, drijft dit werk op een diep gevoelde behoefte om door te dringen in de wanhoop, eenzaamheid en sociale ontreddering van kinderen. Clark identificeert zich met hen en gaat daarin zo ver dat zijn werk deel wordt van hun zoeken naar wat menselijk is, door het onmenselijke heen.