Zuurtje en sabel

Mijn grootvaders heb ik niet gekend. Zij waren beiden visser en verdronken voordat ik werd geboren. Aan mijn grootmoeders, daarentegen, bewaar ik verregaande herinneringen. Naar mijn grootmoeder van vaderszijde ben ik vernoemd, een voor een jongen, in mijn jeugd, enigszins smadelijke naamgeving waarop ik mij tegenover mijn vriendjes niet kon beroemen. Het maakte haar wel tot mijn slavin. Zij hing aan mij, met een hartstocht die ik nog niet kende en waarvan ik niet altijd was gediend. Zij liep mij na, bezorgd als zij was dat mij iets verschrikkelijks zou overkomen. Op weg naar school bleef ik in de President Steynstraat staan, om te zien of zij het waagde mij te volgen. Zodra ik haar de hoek van de Keizer Wilhelmstraat zag omkomen, riep ik, stampvoetend, in mijn jongenseer aangetast, dat zij weg moest gaan, terug, naar haar huis. Verschrikt, angstig droop zij af. Ik kon meedogenloos voor haar zijn. Het liefst had zij gezien dat mijn ouders mij aan haar hadden afgestaan, zodat zij mij altijd bij zich zou hebben om mij te verwennen, koesteren, zoenen. Ik liet mij haar liefkozingen humeurig aanleunen en, bewust van mijn macht over haar, met munt en snoepgoed afkopen. Aan haar gepassioneerdheid heb ik mijn eerste zakhorloge met ketting te danken. Door haar leerde ik dat ik driftig en boos kon zijn zonder daarvoor te worden gestraft. Het verleidde mij een medeschepsel, zelfs al was het dan mijn grootmoeder en in weerwil van het gezag dat zij van vaderswege over mij had, aan mij te onderwerpen. Het is maar goed dat ik van nature naïef en vriendelijk ben, zodat deze in mijn jeugd gewekte slechte eigenschap in mijn latere leven niet tot volle wasdom is gekomen. Misschien lag dat eerder aan de omstandigheden dan aan mijn karakter, gesteld dat je deze toevalligheden kunt scheiden. Hoe het zij, vooreerst over mijn peetoma twee herinneringen. Wij noemden haar Opoe Prins, naar de man met wie zij was hertrouwd, een beroepssoldaat die het tot korporaal had gebracht en mij dammen leerde.

Ik zit bij mijn opoe op schoot. Zij vertelt mij een sprookje, of een verhaaltje dat haar uit haar eigen onvoorstelbare jeugd is bijgebleven. De avond is bezig te vallen, op de bedachtzame wijze waarop hij dat in ons land zo vaak doet. De lamp is nog niet aan, wij schemeren, zoals dat in het verleden gebruikelijk was. Mijn grootmoeder is uitverteld. Het is al bijna donker. Zij zuigt nog op het zuurtje, nadat ik het mijne al met mijn ongeduldige kindertanden heb vermalen. Zij aait mij over mijn haren, mijn wang. Zij neemt mijn hoofd in beide handen, zoent mij op mijn mond en duwt met haar tong het vochtige gladgezogen zuurtje in mijn mond. Innerlijk verstijfd, met een dromerige gelatenheid, neem ik het in ontvangst. Pas later schaam ik mij erover, met een gevoel van weerzin en verzet. Ik heb het vage gevoel dat er tussen ons iets onbegrijpelijks is gebeurd.

Van mijn ouders heb ik, waarschijnlijk door bemiddeling van Sinterklaas, een blikken sabel met schede gekregen, voor een jongen, in mijn tijd, een van de meest begeerde geschenken waarmee ik, al was het slechts schijn, de gevechtshoudingen kan nabootsen die mij door de lessen in de vaderlandse geschiedenis en mijn lectuur van historische romans vertrouwd zijn geworden. Zodra ik mij ermee in onze straat vertoon, waarin zich ook het huis van mijn grootmoeder bevindt (ik verdenk haar ervan dat zij zich de hele dag in de voorkamer ophoudt om mij vanachter de vitrage te kunnen begluren), komt zij naar buiten rennen, ontrukt mij mijn sabel, trekt hem uit de schede en breekt hem op haar knie in tweeën. Ik ben te overdonderd om boos en driftig te worden. Enkele ogenblikken voel ik mij verslagen, buiten gevecht gesteld. Zij probeert mij te paaien. Zij vleit mij met beloften om mij met haar te verzoenen. Maar ik loop weg en praat dagenlang niet tegen haar, ruk met mijn schouder wanneer zij, achter mij, mij aanraakt. Ik hou mij doof voor haar smeekbeden, haar jammerlijke zelfvernedering. Ten slotte komt zij met een houten sabel aandragen, die zij voor mij bij Fennel, de speelgoedwinkel in de Oranjestraat, heeft gekocht, een belachelijke karikatuur voor een jongen in de martiale fase van zijn leven. Ik smijt hem op de grond en trap er op. Maar met mijn onverzoenlijkheid is het gedaan. Ik praat weer tegen haar. Ik laat mijn macht weer over haar gelden.

    • Adriaan Morrien