Verstajet

Kan een drukletter jentig zijn? Reinold Kuipers, aimabel 'uitgever in ruste en speledrukker in kalme actie', schrijft in het onlangs verschenen nummer van Amstelodamum (jaargang 82, nr. 6) dat 'een zekere jentigheid' het resultaat is van een aanzienlijk contrast tussen dik en dun. Hij heeft het over een drukletter die de Hongaar Nicolaas Kis (1650-1702) 'beroemd heeft gemaakt. (...) En dat de letter abusievelijk Ehrhardt heet is iets waarvan niemand wakker hoeft te liggen'. Kun je misschien jentig te bedde liggen, liefst met een jentige partner? Of jen je die dan juist je nest uit? Het WNT geeft als verklaring: bevallig, hupsch, lief, aardig; “Trijn is zoo'n jentig ding”. Navraag bij de auteur levert kek op. Kuipers: “Nee, niet krèk, dat is afgeleid van correct, ik doel op kek, zeg maar vrolijk aanwezig zijn. Kijkt u maar eens bij het Engelse jaunty.”

Maar ik keek eerst bij Jent in het WNT en stuitte op “Is 't niet een jenten Bisschop, Leeraer en Predikant?” En: 'Zoo'n tjent meiske'. Plus: “alles moet bij de mennonieten seer jentjes wezen, en seer effen in de plooi” - fijne fantasie: jolijt met een jeugdig en jentig deerntje tussen de jofel gesteven lakens. Natuurlijk is “dat bysart, dats braaf, dats groots, dats gaaf, dats wel jentjens”, maar hoe staat het dan met mijn “jente vaertjens? Is dat bygort ien myven vont? Sy is wter maten jent?” Aanstekelijk jolig is ook de verzuchting “Zijn hunne dochters poezel en jent, trotsch en streng zijn de Dekens van Gent” (De Geyter).

Juichend keek ik bij jaunty in Webster's Complete Dictionary uit 1880, werd beloond met airy, showy, fluttering en werd verwezen naar janty: “Fr. gentil, pretty, originally of a good family”. De New Shorter Oxford Dictionary (1993) vermeldt naast een zinnetje van Salman Rushdie (“He leaned round corners on his bicycle, taking them at a jaunty angle”) ook 'elegant, stylish, smart'. Mooi is de omschrijving van jaunty als “Having or expressing a sprightly confident manner; perky, carefree, debonair”. The Compact Edition of the Oxford English Dictionary, de micro-editie uit 1979, biedt echter de mooiste: “affecting airy self-satisfaction or unconcern”. En, tussen haakjes, wat te denken van schlau, gewitzt, klug en gescheit dat Brockhaus Wahrig geeft bij jenisch? Te vroeg gejuicht?

Inderdaad geeft het WNT bij jenzen, “een woord der platte volkstaal”, eindelijk het langverwachte “den bijslaap uitoefenen” ofwel “een niese (meid, vrouwspersoon) jensen”. Natuurlijk alleen als ze op een biljart om doorjenzen ligt te jeremiëren! Dan geef ik haar fier en met alle plezier van jetje. En jengelt ze om meer, doe ik joviaal nog een keer. Want: “u wil ik het niet verzwijgen, je bent niet voor niets zoo jentig vandaag, om alles uit me te krijgen” (Beets). Ach, wat een jentige drukletter al niet vermag. “Begeren maect mijn bekent met woorden jent”, schreef mr. Kackadoris. In plaats van met “doodstroomig vergenoegen in slaap te vallen” peinsde ik over de tijd waarin “ambere winden ons wiegden zoo jent” (Daems). Helaas: “een soet neen seggen, met een lachjen daer by, dat is seer jent, liefken”. Jawel, jachtige spoed is zelden goed. “Gesellen, die des avonts vrijt en dickmael wonder jachtigh zijt, vaert niet in der haesten voort” (Cats). “Ay .. blijft staan! Waar heen myn beckje, wel hoe ben gy nouw so jachtigh?” (Bredero). Mijn geliefde jegenkroonde het jegendeel en ik jammerde: “Liever as ick you verliet, lagh ick levendigh bedolven daer ick jegenwoordigh treê” (Huygens), “weet dat grooter smart noyt yemans overquam, als jeuckering van Min in oude leden stram” (Hooft)! “Jazeker jongen”, zei ze, “men kan een paard van angst doen pissen door hem inwendig in de ooren sterk te jeuken” (Berkhey), maar “jy haalt een mensch de vloeken uit de keel”. Nou juffie, joelde ik, “veel omtrent het manne-volck te boerten en te gabberen is u niet te raden; wie jockt die lockt”. Gedecideerd antwoordde zij: “Die de schoonheid eener vrouw alzo bemint dat hij bekommert is dat een ander die schoonheid mogt genieten, werd gezeid jaloersch te zijn” (Jonctijs).

Bredero schreef het al, jankte ik, “de minnaar is jalours schier van zijn eyghen oogen, jan van zijn schaduw, die hy voor hem uyt ziet treen”. Jandoedel!, riep ze kwaad, “jy bent een schytebroek, een bloodaart, een Jangàt!” (Alewijn); “Ey, ziet hem eens schrybienen, of hy zen broek van binnen bepist had (Asselijn); verstajet wel? Janhagel! Janhen! Jan Salie! Pàljas!”. Stampvoetend verliet zij het pand. Jakkes, wat een janboel jubelde Judas en jatte een jarenlang met jobsgeduld bewaarde jujubes uit een met jampotten gevulde jutezak.

    • Peter Yvon de Vries