Ongekroonde koning van Italië treedt af

Gianni Agnelli is gisteren teruggetreden als topman van het Fiat-concern. Dertig jaar lang was hij de machtigste man van Italië.

ROME, 29 FEBR. Er zijn maar een paar mensen die het zich kunnen permitteren hun horloge over de manchet van hun overhemd te dragen zonder te worden uitgelachen. Dergelijke excentriciteit is alleen weggelegd voor wie zelf de regels stelt. Gianni Agnelli is zo iemand. Witte haren. De toon van iemand die gewend is dat er naar hem wordt geluisterd. De soepelheid in de omgang van iemand die aan niemand hoeft te worden voorgesteld. Charmant, elegant, pleitbezorger voor Europa. 'Captain of industry' is een te nauwe titel voor hem. Agnelli is als president van Fiat bijna dertig jaar lang de machtigste man van Italië geweest, de ongekroonde koning van een land dat de monarchie heeft afgezworen maar zijn verlangen naar een vorst nooit is kwijtgeraakt.

Gisteren is hij afgetreden als president van Fiat, de grootste particuliere onderneming van Italië. Over twaalf dagen wordt Agnelli 75 jaar. Net als voor kardinalen is dat een mooie leeftijd om ermee op te houden. Het wordt tijd plaats te maken voor “frisse en jongere krachten”, zei hij gisteren in zijn afscheidstoespraak. Agnelli draagt de scepter over aan de 72-jarige Cesare Romiti, de man die meer dan twintig jaar lang als managing director zijn rechterhand is geweest.

Voor veel mensen in het buitenland is het door de jaren getekende gelaat van Agnelli het gezicht van Italië dat zij het beste kennen. Jarenlang is hij een soort informele ambassadeur geweest, symbool voor dat deel van het land dat wel functioneert. Agnelli was thuis bij bijna iedereen die meetelt. De voormalige Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Henry Kissinger vliegt nog wel eens langs Turijn om samen met Agnelli naar een wedstrijd van zijn voetbalclub Juventus te kijken. Gianni Agnelli heeft ertoe bijgedragen dat Italië met zijn voortdurende politieke chaos, zijn corruptie en mafia, internationaal gezien niet is afgeschreven als onherroepelijk verloren. Wegens zijn grote verdiensten is hij in 1991 benoemd tot senator voor het leven.

Eigenlijk is dat een titel beneden zijn stand. Agnelli for president is een slogan die hier wel gehoord is. Hij heeft het nooit geambieerd, een politieke rol, en had het ook niet nodig. Als president van Fiat was hij de spil in het machtsblok van Noorditaliaanse bedrijven dat de economie domineert, en vaak 'kingmaker' in de politiek. Geen enkele industriële groep in geen enkele grote democratie heeft zo'n macht als Fiat in Italië. Als Agnelli spreekt, luistert Italië. En als het land even afgeleid is, zorgen zijn kranten, La Stampa en de langs indirecte weg door hem gecontroleerde Corriere della Sera, ervoor dat er wel wordt geluisterd.

Pagina 22: Onder Gianni Agnelli werd Fiat tot een Europese autofabrikant

Fiat had vorig jaar een omzet van 75,5 biljoen lire, ongeveer 75 miljard gulden. Dat is ruim een twintigste van heel het bruto nationaal produkt van Italië. De kernactiviteit van de groep is het maken van auto's, vrachtwagens en tractoren. De sector personenauto's is goed voor de helft van de omzet. Maar daarnaast is Fiat actief in sectoren als de chemie, de metaal, de media. De groep omvat warenhuizen, verzekeringen en investeringsmaatschappijen. Fiat maakt raketten en treinen, bouwt robots en viaducten, organiseert tentoonstellingen en sponsort voetbalclubs.

Dit enorme scala van activiteiten, in een economie waar nauwelijks andere grote bedrijven bestaan die een tegenwicht kunnen vormen en in een politieke cultuur waarin heel veel zaken ondershands geregeld worden, leidt af en toe tot uithalen tegen de strapotere van Fiat, de excessieve macht. Het standaard antwoord is dat Fiat groot moet zijn om mee te kunnen spelen in Europa.

Zo heel vaak is dergelijke kritiek overigens niet te horen. Weinig politici hebben het lef om het op te nemen tegen deze Italiaanse goliath. Toen Romano Prodi, de officiële kandidaat-premier van links, het onlangs waagde om wat kritische geluiden te laten horen, werd hij meteen teruggefloten door de linkse leider Massimo D'Alema. Daarom wordt er wel veel gesproken over het feitelijke monopolie van mediamagnaat Silvio Berlusconi in de commerciële tv, maar is de mediamacht van Fiat in de pers, met La Stampa en de Corriere della Sera, een taboe.

Daarom putten sommige critici van Berlusconi zich uit in schimpscheuten over het feit dat deze mede door zijn politieke contacten met het oude bestel een media-imperium heeft kunnen opzetten, maar zijn de miljarden guldens die Fiat aan staatssteun heeft gehad en de gunstige wetgeving een non-issue. Daarom zegt de justitie dat Berlusconi moet hebben geweten van de steekpenningen die door topmanagers van zijn bedrijf zijn betaald, en wordt de vraag of Agnelli ervan op de hoogte was dat Fiat-dochters smeergeld betaalden, weggemoffeld. Wat Fiat doet is welgedaan, en Gianni Agnelli is bijna een heilige.

Fiat is een van de oudste bedrijven ter wereld, maar de onderneming heeft in zijn 97-jarige geschiedenis maar drie bazen gehad. De oprichter, Giovanni Agnelli, heeft bijna een halve eeuw lang de scepter gezwaaid, tot aan zijn dood in 1945. Giovanni Agnelli begon nog voor Henry Ford auto's te produceren. Met de strakke, autoritaire leiding die eigen is aan veel familiebedrijven wist hij Fiat uit te bouwen tot de grootste autofabrikant van Italië en een van de grotere van Europa.

De vraag of zijn zoon Edoardo wel geschikt was om hem op te volgen, heeft hij nooit in de praktijk kunnen onderzoeken. Edoardo Agnelli, de vader van Gianni, kwam in 1935 om bij een vliegtuigongeluk. Een paar jaar later, tijdens de oorlog, begon Giovanni Agnelli zijn kleinzoon voor te bereiden. “Ik ben halverwege 1943 begonnen in Fiat te leven, toen mijn grootvader me liet roepen en een leerperiode voor mij organiseerde op verschillende kantoren: produktie, handel, administratie,” zo herinnert Gianni Agnelli zich.

Giovanni Agnelli overleed in 1945, gesloopt door een slepende beschuldiging dat hij duistere zaken had gedaan met het fascistische bewind - Fiat heeft onder zijn oprichter altijd geprobeerd iedereen te vriend te houden. Gianni was toen nog maar 24, wat jong om de leiding over Fiat over te nemen. De familie Agnelli vertrouwde die daarom toe aan de 63-jarige professor Vittorio Valletta. Terwijl deze geld van de Marshallhulp gebruikte om Fiat verder op te bouwen en ervoor zorgde dat drie van de vier auto's op de Italiaanse wegen een Fiat was, volgde Gianni Agnelli de raad van zijn grootvader op: zorg dat je eerst wat van het leven geniet.

Twintig jaar lang heeft Gianni Agnelli het leven van de jet set geleefd. Zijn thuisbasis was niet het vochtige en kille Turijn, waar Fiats hoofdkantoor staat, maar een grote villa aan de Franse Côte d'Azur. Hij vulde zijn leven met mooie vrouwen, snelle auto's, jachten, casino's, en altijd champagne. Flirts met Anita Ekberg en Rita Hayworth maakten van hem een van Europa's bekendste playboys.

Toen Valletta in 1966, toen 83 jaar oud, opperde dat het tijd werd naar een opvolger te zoeken, verbaasde Gianni Agnelli hem door zichzelf op te werpen. “Ik denk dat het nu mijn beurt is,” zei hij volgens de Fiat-overlevering. De volgende dag sprak Valletta de aandeelhoudersvergadering toe: “Mijne heren, vanaf dit moment is dottor Agnelli niet meer alleen de kleinzoon van zijn grootvader.”

“Ik heb geen flauw idee hoe ik een auto moet bouwen,” vertrouwde Agnelli een verslaggever van het Amerikaanse weekblad Time toe. En Gianni Agnelli kwam meteen voor een zeer moeilijke periode te staan. De protestbeweging van '68, de steeds sterker wordende vakbonden en de terreuracties van de linkse Rode Brigades, die Fiat als het symbool van het establishment zagen, zorgden voor voortdurende onrust binnen het bedrijf. Bovendien veranderde het politieke klimaat. Onder Valletta kon Fiat nog min of meer de lakens uitdelen in Rome. Wat Fiat wilde, gebeurde: lage belastingen voor auto's en benzine, prioriteit voor het wegverkeer boven de spoorwegen.

In de jaren zestig werden de politieke partijen sterker en onafhankelijker van de particuliere sector, mede omdat ze eigen 'inkomsten' regelden via steekpenningen van staatsbedrijven. Naar de ex-playboy Agnelli werd toen niet als vanzelfsprekend geluisterd. Hij kwam ook regelmatig publiekelijk in aanvaring met de christen-democratische partij, die volgens hem Italië dreigde te verstikken. Als zoenoffer is toen zijn jongere broer Umberto in 1976 kandidaat geweest voor die partij, maar diens politieke carrière was van korte duur.

De jaren zeventig zijn de zwarte bladzijde in de geschiedenis van Fiat. Aan de top bestond veel onduidelijkheid. Agnelli had al snel zijn broer Umberto erbij, maar die kreeg ruzie met Romiti, sinds 1974 bij Fiat. In 1976 had de groep zelfs drie managing directors, toen ook Carlo De Benedetti, de latere president van Olivetti, een kans kreeg. De Benedetti hield het al na honderd dagen voor gezien. De nieuwe modellen van Fiat waren in die jaren weinig inspirerend en hadden veel gebreken. De Engelsen maakten daar cynische grapjes over en zeiden dat de letters Fiat stonden voor Fix it again, Tony.

Het jaar van de ommekeer is 1980. Een protestmars door het middenkader van Fiat tegen de voortdurende stakingen luidde het einde van de arbeidsonrust in. De macht van de bonden was gebroken. Het bedrijf plukte de vruchten van een ingrijpend saneringsproces, had succes met de Uno en groeide mee in de hausse van die tijd. Fiat kaapte in 1986 met politieke hulp Alfa Romeo weg voor de neus van Ford, nadat het al eerder, in 1969, Lancia had ingelijfd.

De kas was zo goed gevuld dat de onderneming bijna gedwongen was zich naar andere sectoren uit te breiden. Fiat stond symbool voor een nieuw Italiaans wonder, de wederopstanding na jaren van arbeidsonrust, politieke chaos en terreur. In de binnenlandse politiek werd hij weer een factor waar niemand omheen kon, en zo kon Agnelli zich lange tijd met succes verzetten tegen anti-trust wetgeving en belastingvoordelen voor auto's met een katalysator - Fiat was daar nog niet klaar voor. Voor het buitenland werd hij een van de Italiaanse condottieri, een legeraanvoerder die in de rest van Europa op strooptocht ging.

Die strooptocht is een van de hyperbolen waarmee het Italië van de jaren tachtig is beschreven, toen de socialistische leider Bettino Craxi de politiek domineerde. Fiat kwam begin jaren negentig opnieuw in een diepe crisis, maar wist te overleven door te durven investeren, ongeveer veertig miljard gulden, in nieuwe fabrieken en nieuwe modellen. Ieder jaar kwam Agnelli met een nieuwe auto de binnenplaats van het Quirinaal oprijden, het presidentiële paleis in Rome, om die te laten bewonderen door de president. Eerst de Cinquecento, die het vooral moest hebben van nostalgie naar het kleine autootje van vroeger. Daarna een coupé, om de sportieve rijders opnieuw een Fiat te kunnen aanbieden. En weer wat later de Punto en de tweelingen Bravo en Brava, beide uitgeroepen tot auto van het jaar.

Onder Gianni Agnelli is Fiat een Europese autofabrikant geworden. Niet meer Italië is de thuismarkt, maar heel het continent. Fiat heeft in Europa een marktaandeel van 11,2 procent. Agnelli heeft ook de eerste stappen gezet om van Fiat een wereldmerk te maken. Fiat-auto heeft al fabrieken in Polen, Turkije, Brazilië en Argentinië. In april wordt in Brazilië de Palio gepresenteerd, de auto waarmee Fiat de markten in Latijns Amerika en Azië wil opgaan. Trots kon Agnelli gisteren zeggen dat jaarlijkse verkopen nu veertien keer zo groot zijn als toen hij dertig jaar geleden aantrad.

Een van de belangrijkste strategische keuzes voor de komende jaren is de vraag of Fiat met andere autoproducenten moet gaan samenwerken. Een plan voor een alliantie met Ford Europa is midden jaren tachtig op het laatste moment afgeketst. Drie jaar geleden, toen Fiat diep in de problemen zat, werd er gespeculeerd op samenwerking met Renault, maar ook dat is niet doorgegaan. De familie Agnelli koos een andere weg. De bestaande banden met de oppermachtige handelsbank Mediobanco, de verzekeringsmaatschappij Generali, Deutsche Bank en Alcatel werden uitgebreid in een strategisch akkoord, waaronder de Agnelli's een deel van hun greep op het bedrijf opgaven in ruil voor financiële steun. Tegelijkertijd werd besloten tot een kapitaalinjectie van zes miljard gulden, de grootste die ooit in Italië is uitgevoerd.

Architect van deze deze operatie is de 86-jarige Enrico Cuccia, de nog steeds oppermachtige honorair president van Mediobanca. Voor Cuccia is dit een nieuwe stap in zijn levenswerk: een netwerk van Noorditaliaanse bedrijven dat sterk genoeg is om inhalige, arrogante of betuttelende politici te weerstaan. Fiat is daarvan steeds een essentieel onderdeel geweest en een van de zaken waarop Gianni Agnelli het meest trots is, is dat Fiat uit de greep van de politieke partijen is gebleven. Gisteren prees hij “de onafhankelijkheid en de totale vrijheid” van Fiat.

In ruil voor dit nieuw kapitaal heeft de familie Agnelli een deel van haar macht moeten inleveren. Zij heeft nog steeds zeven van de elf zetels in de raad van bestuur, maar voor belangrijke besluiten is een meerderheid van negen nodig. De Agnelli's kunnen niet meer met Fiat doen wat ze willen. Dat bleek meteen al bij de vraag wie op de stoel van Gianni Agnelli zou gaan zitten. In 1984, op de vijftigste verjaardag van zijn broer Umberto, kondigde Gianni Agnelli met enige fanfare aan dat die hem zou opvolgen. Hij heeft dat daarna regelmatig herhaald en daarbij ook duidelijk gemaakt dat zijn eigen zoon Edoardo, die meer belangstelling heeft voor oosterse filosofie, niet in aanmerking komt. Maar in 1993 moest de familie buigen voor de wensen van de nieuwe kapitaalschieters.

Gianni Agnelli had toen al willen aftreden, samen met Romiti. Met name Enrico Cuccia, de 86-jarige honorair president van Mediobanca, heeft grote bezwaren tegen Umberto, hoewel deze binnen andere onderdelen van de Fiat-groep een proeve van bekwaamheid heeft gegeven. Umberto blijft zich nu concentreren op die andere functies. In de raad van bestuur is hij vervangen door zijn 31-jarige zoon Giovanni, in de wandeling Giovannino genoemd.

Het probleem van de opvolging is in feite vooruitgeschoven. Gianni Agnelli wordt opgevolgd door Romiti, maar die zal niet meer dan een tussenpaus zijn. Romiti is nu 72 jaar. In 1998 zal ook hij de grens van 75 jaar bereiken. Giovannino is de gedoodverfde kroonprins. Hij is al een paar jaar aan het oefenen binnen het scooterbedrijf Piaggio, eigendom van de familie van zijn moeder. Sinds februari 1993 is hij president van Piaggio Europa. Maar het is nog onzeker of Giovannino het groene licht krijgt van Cuccia en de andere aandeelhouders. En als dat gebeurt, zal hij meer rekening moeten houden met hun wensen dan zijn oom hoefde te doen. Gianni Agnelli is waarschijnlijk de laatste die Fiat kon leiden als een echt familiebedrijf.