Ondergang en terugkeervan het ornament; Versiering is geen misdaad

Victoria & Albert Museum, South Kensington, Londen, ma 12-17u50, di t/m zo 10-17u50. Inl 00-441719388500.

Arthur O. Eger: Decoratieve kunst. Uitg. Cantecleer, prijs ƒ 69,50.

Eenvoud is goed, versiering overbodig. Tot voor kort zou een ruime meerderheid van de toonaangevende bevolking het daar spontaan mee eens zijn geweest. Enerzijds uit een Hollandse neiging tot soberheid, en anderzijds omdat de goede smaak het zo gebood. Versiering, dat waren frutsels, dat was overdaad. Van bruggenbouwer tot mode-ontwerper wantrouwde iedereen het ornament.

Niet dat dit een puur Nederlands trekje was. De radicaalste bestrijder van het ornament, Adolf Loos (1870-1933), was de zoon van een Oostenrijkse bouwvakker. Hij was zelf architect en ontwerper, en maakte zich in 1908 onsterfelijk met een artikel waarvan de titel alles zegt: Ornament und Verbrechen, versiering en misdaad. Primitieve volken zoals Indianen en Papoea's, zo verklaarde Loos, versieren alles, tot hun eigen huid toe. Zij eten ook hun vijanden op. Wij daarentegen, beschaafd als wij zijn, hebben ons aan het ornament ontworsteld. Laten wij daar trots op zijn!

Zulke siervijandigheid was een reactie op de negentiende eeuw, waarin een nieuwe burgerij was opgekomen die haar nieuwe geld naar hartelust had besteed aan rijk versierde spulletjes, meubels, enzovoort. Ernstige lieden zetten zich daartegen af uit naam van de Vooruitgang en de Eerlijkheid. Daarmee werd het versieren meer dan een kwestie van smaak: het ging over moraal. Men sprak (het valt ons niet eens meer op) van de Goede Vorm, niet van de Mooie Vorm.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan - het ornament liet zich niet uitbannen. Geen wonder: de neiging tot versieren (nog afgezien van de storende bijbetekenis die dat woord in het hedendaagse Nederlands heeft) is immers aangeboren. Wie is in staat om vruchtjes op een zelfgebakken taart te leggen zonder te letten op het patroon dat zij vormen? Wie heeft vrede met een scheef zittende das, of een kamer met vier lege muren? Orde en ornament gaan vloeiend in elkaar over, zoals de grote kunsthistoricus Ernst Gombrich heeft uitgelegd, en met chaos kan een mens niet leven.

De omslag begon in de jaren zestig en zeventig, toen de ideeën van Adolf Loos gemeengoed waren geworden. 'Alternatieve' figuren gingen hier en daar bloemetjesgordijnen ophangen, of folkloristische franjes dragen. Maar aanvaardbaar voor de culturele opinieleiders werd het versieren pas weer in de jaren tachtig, met postmoderne stijlen als Memphis en de architectuur van Ricardo Bofill. Zuilen, bogen, buitenissige vormen werden ineens weer leuk gevonden. De uitvinding van de camp door de grootstedelijke nichten-scene deed de rest.

Een zucht van verlichting ging door de gelederen van hen die eertijds zo van strak en simpel hadden gehouden. Smaakvolle dames zetten zich aan het patchworken, of namen les in soft furnishings, het capitonneren van fotolijstjes en lampekappen. Hekken langs spoor en snelweg werden opgesmukt met pastelkleurige bollen en spietsen die werkelijk helemaal nergens toe dienden. Stropdassen en dameshoeden maakten een comeback. Lijven werden bij duizenden opgesierd met tatoeages en ringetjes (en Adolf Loos ten spijt ging dat niet gepaard met een golf van kannibalisme). Nadat decennia lang oude plafonds met stucco-ornamenten waren weggerenoveerd, begonnen nu trendy decoratiewinkels sierlijsten en gipsen krullen te verkopen. In Groningen verrees een museum dat er uit ziet als een bedrijfsongeval in een speelgoedwinkel: iedereen kraaide van plezier.

Bij kunsthistorici in binnen- en buitenland herleefde de belangstelling voor schilders die decennia verwaarloosd waren omdat zij niet pasten in de modernistische heilsleer.

Salontijgers als Ary Scheffer en Laurens Alma Tadema (van wiens werk eind dit jaar een overzichtstentoonstelling in het Van Gogh-museum wordt gehouden) 'mochten' weer. In het Rijksmuseum werd aan de eens zo verguisde burgertroep uit de vorige eeuw een expositie gewijd, nog voorzichtig getiteld 'De Lelijke Tijd'.

En langzaam maar zeker wordt ook het ornament zelf weer een geaccepteerd onderwerp. Het standaardwerk van Gombrich, The Sense of Order, een 'studie in de psychologie van de sierkunst', is al uit 1979. In de jaren negentig krijgt het ornament op steeds meer plaatsen aandacht. Zo werd er in het Victoria & Albert Museum in Londen, dat gespecialiseerd is in toegepaste kunst, een speciale afdeling aan gewijd, de European Ornament Gallery.

Dit is een fraai overzicht van de wijze waarop van 1450 tot heden voorwerpen zijn versierd. Theepotten, behang, meubels en honderden andere voorwerpen staan thematisch gegroepeerd in vitrines. Getoond wordt op hoeveel manieren motieven als de ruit, of het takje, of de hoorn des overvloeds zijn toegepast. Geen voorwerp is te nederig, geen versiersel te banaal. De sfinx en Mickey Mouse horen allebei tot de 'mythische wezens', die zijn gebruikt om vazen (vroeger) of tennisballen (nu) op te sieren. En aan het eind van de galerij bewijzen vijf glimmende aluminium wieldoppen dat het ornament op straat ligt.

In Nederland is zo'n tentoonstelling nog niet te vinden, maar kort geleden verscheen wel een boek over ornamenten. Het heet Decoratieve kunst en is geschreven door Arthur O. Eger. Hij heeft de welhaast megalomane bedoeling een overzicht te geven van het ornament in vier verschillende culturen: Europa, het Midden-Oosten, China en Latijns-Amerika. Zo'n overzicht kan natuurlijk niet compleet zijn, zeker niet op 157 pagina's. Het is ook niet altijd even systematisch. Maar toch geeft het rijk geïllustreerde boek wel een indruk van de diverse stijlkenmerken, en van de fantastische veelvormigheid van de menselijke decoratiedrift. En bovenal is de verschijning alleen al een teken van de cultuuromslag op het gebied van het ornament. In 1996 is strak en simpel nog maar één van vele mogelijkheden voor vormgeving; steeds duidelijker wordt dat het zelden de aantrekkelijkste is.